Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Recensies’ Category

houben2Piet Houben, Interactief levensloopbeleid. Vensters en gereedschap om de tweede levenshelft vorm te geven. SWP Amsterdam 2009.

Met dit boek presenteert Houben (emeritus hoogleraar Toegepaste Sociale Gerontologie, consultant en trainer) een vervolg op en een update van Levensloopbeleid, dat in 2002 verscheen. Het is bestemd voor mensen die samen met hun omgeving in hun tweede levenshelft zich willen blijven ontwikkelen. Houben beschouwt de levensloop niet bij voorbaat als een opgaan, blinken en verzinken, maar als een voortdurende mogelijkheid  tot groei. Biologisch mag een mens over de vijftig over zijn top heen zijn, psychologisch en sociaal heeft hij nog veel groeipotentieel in huis, dat er om vraagt aangesproken en benut te worden. (meer…)

Advertenties

Read Full Post »

 

Dick Sipsma, Van oude mensen...

Dick Sipsma, Van oude mensen...

Dick Sipsma, Van oude mensen, de dingen die gaan komen, Cossee Essay, Uitgeverij Cossee BV, Amsterdam 2008

 

Met Van oude mensen, de dingen die gaan komen, heeft Dick Sipsma een aanstekelijk optimistisch boekje geschreven over de toekomst van het ouder worden. Sipsma, medicus en als arts en hoogleraar een lange staat van dienst in de gerontologie en geriatrie, stoort zich met dit essay niet aan vak- en disciplinegrenzen. Met de joyeuze vrijheid van geest de gevorderde leeftijd eigen, schetst hij een beeld van de oude dag van morgen die in niets meer op die van vandaag lijkt.  Met vooroordelen tegen ouderen maakt hij korte metten: het gaat hier meestal om kwalijke en gedachteloze staaltjes van leeftijdsdiscriminatie,  die bij de huidige stand van de wetenschap geen enkele grond meer in de werkelijkheid hebben. Integendeel, bij het huidige tempo van voortschrijden van de techniek (of het nu het sleutelen aan de genen of de domotica betreft) is het nog slechts een kwestie van tijd, of we hebben de gemiddelde levensverwachting tot aartsvaderlijke proporties weten op te krikken. Daarbij zullen we voorgoed afscheid kunnen nemen van het beeld van het kwakkelende oudje: we zullen tot op hoge leeftijd gezond kunnen blijven en dan snel en pijnloos aan comorbiditeit sterven. 

Sipsma is utopist, en schaamt zich er niet voor.  Voor hem lopen werkelijkheid en toekomstdroom soms naadloos in elkaar over, als we er met zijn allen maar voor gáán.  Al gaat hij in zijn bespiegeling wijde cultuurfilosofische vergezichten niet uit de weg; hij blijft daarin wel de medicus, die zich op feiten wil baseren.  Een vooruitgangsgelovige van de oude stempel, die heilig gelooft in de macht van de ratio. Wie ouderdom alleen als aftakeling ziet gebruikt zijn verstand niet! Hij laat zich ringeloren door een gerontologisch deficit-model! Oud worden als (ader) ‘verkalking’, of als mechanische ‘slijtage’ – het zijn ideologische beelden die er feitelijk volstrekt naast zitten. Oud worden is, aldus een recent gerontologisch model dat dichter bij de werkelijkheid staat,  hoogstens te omschrijven als een proces van toenemende kwetsbaarheid, frailty.  Dat kan de ouderdom net zo goed vergallen. Maar aan slijtage is niets te doen, aan kwetsbaarheid wel – dat is het verschil, zegt Sipsma. 

Als we maar kijken met de ogen van de wetenschap, raken we volgens hem allerlei vormen van ‘ageïsme’ vanzelf kwijt, Neem het vooroordeel dat als je maar oud genoeg wordt, je vanzelf ‘kinds’ of ‘seniel’ wordt. Zo werd dat in de vorige eeuw nog genoemd. Nu weten we dat dementie een ziekte is, en niet iedereen dement wordt. Ziektes kun je bovendien behandelen en – in de toekomst hopelijk – genezen.

Dat we met zoveel tegelijk nu steeds ouder worden, is ook geen ramp, maar een zegen, aldus de tegendraadse Sipsma. De vergrijzing is geen demografisch ongelukje in de evolutie, maar een blijvertje. Sterker nog: het is een historische noodzaak. We móeten wel ouder worden, nu de menselijke cultuur zo complex wordt dat mensen een lang leven nodig hebben om al die kennis aan te sturen en over te dragen. Dat we ouder worden vloeit noodzakelijk voort uit de evolutie van de menselijke cultuur.

Voor een evenwichtige samenleving hebben we de wijsheid van de nieuwe oudere (door Sipsma de ‘novogeront’ gedoopt) hard nodig. Takelen dan ouderen ook cognitief niet af? Zullen ze het niet afleggen tegen de flexibiliteit van de jongeren, waar onze dynamische kenniscultuur in zijn lofzang op de jeugd om vraagt?  Ook dit vooroordeel kan Sipsma met wetenschap ontkrachten. Met bijv. Elkhohon Goldberg (De wijsheidsparadox) kan hij zeggen dat jongeren innovatiever zijn dan ouderen, meer uithoudingsvermogen hebben en meer kunnen ‘multitasken’, maar dat ouderen op hun beurt een groeiend vermogen hebben tot patroonherkenning. Zij weten snel en vaak feilloos  inzicht te hebben in waar het in complexe situaties om gaat en in welke richting de oplossing ligt (32v.). Als we inzien dat ze beide elkaar nodig hebben, zal er een vitale samenleving ontstaan die warmer, socialer, rustiger is dan die we nu kennen.

Wie medisch zo vrolijk gestemd is over de nieuwe oudere als Sipsma, stemt er ook niet mee in dat hij maatschappelijk na veertig jaren trouwe dienst wordt afgeserveerd. Met pensioen gaan kan altijd nog, zegt Sipsma, die zelf ook van geen wijken weten wil. De driefasen structuur van scholing, werk en pensioen  is dan ook te beschouwen als een erfenis uit de 19e eeuw. Hij zal  vervangen worden door een samenleving waarin we levenslang leren, recreëren en werken, en dat allemaal naast en niet meer na elkaar (Sipsma volgt hier Mathilda Riley, overigens zonder haar te noemen).

Heerlijk, zo’n toekomstvisie, die even een andere toon aanslaat dan de gerontofobische doemscenario’s, die de discussies over de betaalbaarheid van de AOW en de chronische tekorten aan mensen en geld in de ouderenzorg aanjagen.  We kunnen deze utopie in die debatten goed gebruiken. 

Maar hoe reëel is hij uiteindelijk?

Met zijn vooruitgangsgeloof blijft Sipsma toch een typische 19e eeuwse sciëntist, die veel, zo niet alles verwacht van wetenschap en techniek. Waar die open plekken laten, vult hij ze met het evolutionairtheoretisch paradigma.  Zo veegt hij aan het eind van zijn beschouwing de vloer aan met de hypothese van een ‘intelligent design’ en ‘de god van (Cees) Dekker’. Maar lijkt hij zelf welhaast met even grote religieuze bevlogenheid te geloven in de weldaden van de verzilverde samenleving, die ons door de genetische versleuteling van ons genoom (‘wat ethici en antitranshumanisten ook zullen zeggen’, 87) ten deel zullen  vallen.  Aanstekelijk optimisme is prima, denk ik bij het slot van het boekje, als het betoog wat uit de rails gaat lopen, maar een tikkeltje minder toekomstgelovig mag ook. 

Read Full Post »

draaisma.jpg

Douwe Draaisma, De heimweefabriek. Geheugen, tijd & ouderdom, Historische Uitgeverij Groningen 2008 (recensie gepubliceerd in Trouw, 8 maart 2008)

Je komt weer bij je hoogbejaarde ouders op bezoek. Voor je gevoel was je er gisteren nog. Je bent nog niet binnen of je krijgt te horen dat het wel erg lang geleden is dat je er was. Het gesprek begint al goed.

Douwe Draaisma had ons heel wat onderlinge irritatie kunnen besparen. Hij legt uit dat dit verschil in inschatting tussen oud en jong weinig te maken heeft met de gewenste bezoekfrequentie, maar alles met geheugen. Er is sprake van ‘omgekeerde telescopie’: een scherpe herinnering lijkt dichterbij in de tijd dan een vage, en een vage lijkt vroeger te hebben plaatsgevonden dan een scherpe. Omdat het inprentingsvermogen van ouderen afneemt, lijkt een bezoek voor hen langer geleden dan voor hun jongere kinderen die gebeurtenissen intenser opslaan, en daarom recenter in de tijd plaatsen. ‘Ouders en kinderen turen naar elkaar door tegengesteld gerichte kijkers’ , schrijft Draaisma.

In De heimweefabriek zet geheugendeskundige Draaisma zo menig misverstand recht. Als geen ander bezit hij de gave om empirische wetenschap en de dagelijkse ervaringswereld met elkaar te verbinden. Of het nu gaat om de state of the art in het psychologische geheugenonderzoek, de plot van een roman van Max Frisch, de heimwee van Friese emigranten in Nieuw-Zeeland of een fototherapie met dementerenden in een Drents verpleeghuis, Draaisma rijgt stilistisch alles prettig aaneen. En passant prikt hij hardnekkige fabels door (zoals de illusie dat je je geheugen kunt verbeteren door het te trainen), en stelt hij ouderen die aan zichzelf gaan twijfelen gerust. Jongeren kunnen net als ouderen soms niet op namen komen, maar wijten het dan niet aan de leeftijd. En: ouderdomsvergeetachtigheid is geen voorteken van dementie.

Het verbindend thema in de heimweefabriek is het geheugen van ouderen. Dat gaat achteruit, zegt de oppervlakkige waarnemer. Maar hij kijkt niet precies genoeg. ‘Opgaan, blinken en verzinken’ gaat voor de meeste cognitieve vermogens niet op, blijkt uit onderzoek. Die blijven een leven lang redelijk intact, ook al moeten ze tenslotte wel steeds meer inleveren. Het concentratievermogen vermindert, de capaciteit van het werkgeheugen neemt af en nieuwe informatie wordt trager verwerkt. Lange tijd bespeur je niks van het verval dat zich inzet. Draaisma vergelijkt het cognitieve ouder worden met een trans-Atlantische vlucht: de daling wordt al ver voor het bereiken van de bestemming met een lange glijvlucht ingezet, maar de reiziger merkt op zijn hoogst een lichte vertraging. Nu al? Ik ben er nog lang niet! kan hij denken, hoog boven de oceaan. Maar ook al is de eerste voorbereiding getroffen, het zal nog heel lang duren voor de – uiteindelijk snelle – landing zal plaatsvinden.

Draaisma gunt de oudere tijd van leven. Hij dwingt hem niet tot een krampachtige ontkenning van de levensfase waarin hij verkeert. Niet alleen gelooft hij niet dat het geheugen door middel van cognitieve fitness training kan worden opgerekt (het geheugen is geen spier), hij vindt het ook zinloos.

Niet dat het geheugen vermindert als mensen ouder worden, is voor hem fascinerend, maar dat het zo verandert. De schakeringen in het geheugenlandschap van ouderen zijn nog grotendeels onbekend terrein. De ouderdom wordt nog teveel als een statische periode, een fase van ‘naargeestige eenvormigheid’ gezien. Draaisma is als de eskimo met tientallen verschillende namen voor ‘sneeuw’: hij beschikt over een rijke woordenschat die hem in staat stelt nuances aan te brengen waar anderen alleen van ‘vergeten’ en ‘onthouden’ spreken. Een vakgenoot van hem turfde eens 256 soorten geheugen. Ouderen mogen in het ene gebied verliezen lijden (bijvoorbeeld in het ‘proleptisch geheugen’ dat onthoudt welke plannen we gemaakt hebben), op een ander winnen ze terrein.

Hoe ouder mensen worden, des te meer spelen de herinneringen aan hun jeugd op. Aan dit reminiscentie-effect wijdt Draaisma het hart van zijn boek. Het geheugen blijkt geen trouwe huisknecht, maar kan mensen op hun oude dag als een brute belager bespringen. De herinneringscurve van ouderen bereikt als ze terugkijken op hun levensloop zo rond hun twintigste een piek. Daarna loopt hij snel weer terug en vlakt af, om net voor het heden nog even omhoog te zwiepen. Onze jeugd herinneren we ons als de dag van gisteren (‘in mijn tijd…’), terwijl de jaren daarna er nauwelijks toe lijken te doen. Vanwaar die wonderlijke ‘reminiscentiehobbel’? Biologische verklaringen zoeken het in de richting van een grotere ontvankelijkheid van het prille brein. Maar wie als emigrant rond zijn midden-dertigste de grote stap overzee maakte, herinnert zich van die periode meer dan van zijn Friese jeugd. Blijkbaar zijn beslissende gebeurtenissen in de levensloop meer doorslaggevend voor het autobiografisch geheugen dan neurologische openheid. Of wordt die openheid er op zijn minst door versterkt.

Maar wat is beslissend? Hier lijkt Draaisma’s cognitieve perspectief op het geheugen een grens te naderen. Hij zou de oversteek naar de filosofie moeten maken. In hoeverre is iemand verantwoordelijk voor zijn eigen leven en de herinnering daaraan? Blijft iemand ‘zichzelf’ gedurende een leven? Wat is zelf, identiteit eigenlijk? Günter Grass spreekt als laat zeventiger in zijn autobiografie De rokken van de ui in de derde persoon over ‘de jongen die ik me als vroeg beschadigde editie van mezelf probeer voor te stellen’ . De vitale herinneringen van veel ouderen die Draaisma beschrijft, cirkelen rondom ervaringen van schuld of schaamte, krenking of vernedering. In die morele sentimenten lijkt terugblikkend vaak de essentie van een heel leven te zijn gezogen. Pregnant komt dat naar voren in het opgenomen interview met breinwetenschapper Oliver Sachs. Hij stuit bij het schrijven van zijn autobiografie op zijn eigen reminiscentiehobbel: ‘Ik had steeds minder te vertellen. … Waarom is dat? Komt er steeds meer herhaling in je leven? Sla je minder van je ervaringen op als je ouder wordt? Is het de intensiteit waarmee je leeft als je jong bent? Ik kan niet goed kiezen tussen de hypothesen.’ De wetenschapper Sachs wordt gebiologeerd door het mechanisme van zijn eigen geheugen. Maar is dat de reden waarom hij eigenlijk zijn herinneringen ophaalt? Die blijkt ergens anders te liggen. ‘Ik schrijf voor een deel ook om te biechten, om vergiffenis voor mezelf te vragen,’ erkent hij. Ben ik wel een goede zoon geweest? is de vraag die Oliver Sachs uiteindelijk het meest bezighoudt.


Read Full Post »

Bespreking van: Joop J. Belderok, Vitaal en kwetsbaar grijs. Kwetsbare ouderen in een vitale buurt. SWP Amsterdam 2007

belderok_klein.jpg Nadat Joop Belderok in 2002 zijn proefschrift Zorg voor zelfstandigheid. Bewonersparticipatie in verzorgingshuis en verpleeghuis in het licht van drie moderniseringstheorieën (SWP Amsterdam) schreef, bekroop hem het onrustige gevoel dat zijn werk niet af was. In dat boek analyseerde hij de bestaande intramurale ouderenzorg met behulp van de theorieën van Michel Foucault, Jürgen Habermas en Anthony Giddens – de Grote Drie in de sociologie van de moderne samenleving – en kwam tot een sombere slotsom: wie als oudere in het verzorgings- of verpleeghuis terecht komt, moet veel van zijn zelfstandigheid inleveren. Terwijl het moderniseringsproces gericht is op gelijkwaardigheid en autonomie, levert de kwetsbare oudere zich uit aan de macht van een medische en bureaucratische hiërarchie waarin hij zijn identiteit dreigt te verliezen. Geriatrische verpleeg- en verzorgingshuizen hebben het karakter van totaalinstituten, en verschillen niet van de instellingen in de psychiatrie en gehandicaptenzorg die Goffman en Gubrium in de jaren zeventig van de vorige eeuw analyseerden. Ze hebben een totalitair trekje, ondanks alle goede bedoelingen van overheid, management en de professionals.

Een somber beeld van de intramurale ouderenzorg, waartegen Belderok in 2002 ten strijde trok niet alleen met een pleidooi voor meer participatie en medezeggenschap van bewoners in instellingen, maar ook door te wijzen op innovatieve ontwikkelingen in de ouderenzorg in de richting van extramuralisering, waarbij hij zelf vanuit zijn werk als directiesecretaris bij Antaris betrokken was. (Antaris is een koepelstichting in de ouderenzorg met voorheen vier grote verzorgings- en verpleeghuizen in Amsterdam Nieuw West. De stichting, schrijft Belderok (Zorg voor zelfstandigheid, 317 noot 440) ’transmuraliseert de bestaande capaciteit naar zorgvriendelijke wijken en buurten, met steeds een zorgsteunpunt en dienstencentrum als virtuele kern van zorg en dienstverlening. ‘).

Inmiddels zijn we niet alleen vijf jaar verder, maar maakt ook het ouderenbeleid een wending door in de door Belderok aangegeven richting. ‘Vermaatschappelijking van de ouderenzorg’ is het devies, een tendens die welhaast niet te keren lijkt, nu zij door de Wet Maatschappelijke Ondersteuning een boost van jewelste krijgt. De vanzelfsprekend geworden koppeling van wonen en zorg wordt afgezworen en ouderenzorg wordt onderdeel van een scala aan arrangementen die een mix bieden van zorg, welzijn en wonen. Belderok juicht die ontwikkeling van harte toe en is een hartstochtelijke pleitbezorger van de buurt in plaats van de instelling, als natuurlijke habitus van de oudere. Ook van de meest kwetsbare.

Klinkt het eerst nog voorzichtig, dat de vermaatschappelijking van de zorg ‘door velen gewenst’ wordt (103), later wordt zij door hem ronduit ‘onvermijdelijk’ genoemd. De Wmo vormt de ‘bekroning op de vermaatschappelijkingsontwikkelingen’ (140). Belderok gelóóft blijkbaar in de vermaatschappelijking, en wil ‘tegenwicht bieden tegen een opkomende stroming in Nederland dat een verzorgingshuis zo gek nog niet is’ (154) Onderzoek, zoals dat van Fleur Thomése, dat aantoont dat ouderen in de regel weliswaar afknappen op een verzorgings- of verpleeghuis, maar dat kwetsbare ouderen er juist van opknappen, moet niet ‘het streven van mensen verlammen die serieus werk willen maken van de vermaatschappelijking.’ We kunnen ons dat niet permitteren, omdat te verwachten is ‘dat nieuwe generaties ouderen niet wensen te verblijven in het verzorgingshuis of verpleeghuis.’ (155)

Belderok is, zegt hij zelf, beducht voor een ideologisering van dit debat ‘voor-en-tegen het verzorgingshuis’ en waarschuwt er ook voor. Maar draagt hij er zelf – zo bekroop mij al lezend het gevoel – door te doen alsof vermaatschappelijking een onvermijdbaar weersverschijnsel is, er niet ook een tikkeltje aan bij?

Hij gaat voor het ‘ideaal’ van een ‘ vitale buurtgemeenschap … waar kwetsbare ouderen, als ze dat wwensen, tot hun dood kunnen blijven wonen en gelukkig kunnen zijn.’ (155) Niet omdat hij geen realistisch beeld zou hebben van de problemen die dat zelfstandig blijven wonen op kan leveren (hij wijst voortdurend op de gevaren van vereenzaming en verwaarlozing), maar omdat tehuizen nu eenmaal nog slechter zijn. Extramuraal is de hemel niet, maar intramuraal is doorgaans een hel. Kwetsbare ouderen zoeken de veiligheid van een instelling omdat de dynamiek van de samenleving te bedreigend is geworden. Binnen de instelling wacht hen echter een context die op een andere manier hun vrijheid beknot. (83)

Belderok wordt in zijn kritiek gevoed door Foucault, Habermas en Giddens, de Grote Drie uit zijn proefschrift, die hij in dit nieuwe boek uitvoerig – de helft ervan gaat er mee heen – nog eens neerzet. De argeloze lezer moet door heel wat moeizaam jargon heen bijten, maar wordt ten slotte beloond met een schat aan inzichten. Foucault staat voor de bewustwording van anonieme en abstracte machtverhoudingen en –processen in moderne instellingen en organisaties. In zorginstellingen wordt de bewoner aan medische en bureaucratische disciplineringsprocessen onderworpen. Al bij het intakegesprek levert hij zijn zelfstandigheid in. Habermas vervolgens wijst erop dat communicatief handelen uit de leefwereld dat tot overeenstemming tussen gelijkwaardige burgers moet leiden (‘de ideale gespreksituatie’ ) in de moderne context zo wordt gekoloniseerd door het systeem macht en geld, dat het overgaat in instrumenteel handelen. De professionele zorgverlener staat in tweestrijd: enerzijds wil hij empathisch communiceren van mens tot mens met zijn cliënt (de leefwereld), anderzijds staat hij onder druk van het management en de inspectie (het systeem). ‘Latent strategisch handelen’ is vaak het gevolg. Giddens tenslotte, is positiever gestemd over de moderne cultuur: wij zijn geen willoos slachtoffer van structuren, maar maken ze zelf. Modernisering is bewustwording, een toename in kennis en reflexief vermogen. We moeten ons dan ook meer opstellen als wat we zijn: ter zake kundige burgers, en niet als oudere het expertsysteem van het zorgregiem kritiekloos over ons heen laten komen. Dat geldt zelfs voor de kwetsbare oudere.

Belderok deelt het ‘utopisch realisme’ van Giddens.

Dat optimisme leidt bij hem niet alleen tot een kritiek op de intramurale ouderenzorg, die alleen maar een aanslag pleegt op de mondigheid van de kwetsbare oudere, maar ook tot het visioen van een vitale buurt, waarin de oudere zelfbewust, zelfverzekerd en vol zelfvertrouwen zijn eigen leven stuurt.

In dit nieuwe boek wendt Belderok de blik van binnen naar buiten, van intra- naar extramuraal, en zet hij een flinke stap verder. Hij zet de in zijn proefschrift aan Foucault, Habermas en Giddens ontleende inzichten nu ook positief in voor het ontwikkelen van een visie op vermaatschappelijkte ouderenzorg. Foucaults – vaak impliciete – pleidooi voor gelijkwaardigheid, Habermas’ inzet bij geweldsvrije communicatie, Giddens’ overtuiging dat ook een moderne fragiele identiteit tot zelfinzicht kan komen – zij leiden Belderok tot het geloof dat kwetsbare oudere in een vitale buurt ‘gelukkig kunnen worden’.

Heeft hij daarvan een realistisch beeld? Wel degelijk, denk ik, maar soms vraag ik het me ook weer af. Zo kritisch hij is over de instelling, zo hoopvol is hij over de buurt. En als de buurt zelf gaat teleurstellen, wordt al gauw een wens de vader van de gedachte en lezen we mooie, te mooie zinnen als: ‘Daar waar kwetsbare ouderen het laten afweten, dienen overheid en maatschappelijke organisaties een extra stap te zetten om het evenwicht en de gelijkwaardigheid te herstellen.’ (109) En: ‘Het is aanbevelenswaard kwetsbare ouderen noodzakelijk ondersteuning te bieden op het gebied van inkomen, kennis en vaardigheden, zodat de kans op gelijkwaardige deelname aan maatschappelijke processen binnen een buurt toeneemt.’ (104)

Maar het blijft niet bij wishfull thinking. Belderok ontwikkelt een nieuwe visie op ouderenwelzijn en -zorg door enkele interventietechnieken die hun waarde in het buurtopbouwwerk in grote stadswijken inmiddels aan het bewijzen zijn, ook te gebruiken als basis in het ouderenwerk. Daarin ligt mijns inziens een waardevolle bijdrage van het boek. Een viertal sociale programma’s uit buurtwerk en hulpverlening dienen volgens hem ook in het ouderenbeleid te worden ontwikkeld:

  • Sociaal huisbezoek dat ( ‘professioneel, massief en vasthoudend’ (134)) de problemen achter de voordeur in beeld brengt.
  • Sociaal beheer van de publieke ruimte, dat de problemen op straat aanpakt. Buurtwerkers fungeren als een soort front office, met een signalerende functie. Ze helpen kwetsbare ouderen zich weerbaar op te stellen in openbare ruimte, en te bemiddelen tussen verschillende groepen buurtbewoners, zodat het gevoel van onveiligheid afneemt. (136)
  • Empowerment: de verhoging van zelfbewustzijn, zelfverzekerdheid en zelfvertrouwen door middel van een scala aan sociale activiteiten in de buurt. Met name met inzet van vrijwilligers/ leeftijdsgenoten als inspirerende identificatiefiguren, voorbeelden in de omgeving.
  • Tenslotte – maar hier is de gemeente politiek aan zet –de differentiatie van de woningmarkt, waarbij goedkope woningen worden vervangen door dure. Een gemeleerde sociale bevolkingssamenstelling betekent ook een financiële impuls voor de buurt, zodat er winkels, horeca blijft, met de mogelijkheid van een soort ‘serviceboulevard’ (138)

In het aandragen van deze programma’s levert Belderok een welkome bijdrage aan een nieuw ouderenbeleid. ‘Vermaatschappelijking van de ouderenzorg’ staat bij hem duidelijk voor meer dan alleen een kreet of strijdleus; hij maakt er echt werk van. Daarin ligt een van de verdiensten van dit boek. Kritische gerontologen als Belderok zijn niet alleen kritisch; ze kunnen ook constructief en concreet worden.

Een paar vragen tenslotte die mij al lezend overvielen.

  • Ook al blijft autonomie voor Belderok een kernwaarde, zij is niet ongeclauseerd. Hij verstaat haar niet als ongebreideld zelfbeschikkingsrecht, maar als het nemen van verantwoordelijkheid voor de eigen levensloop. ‘In het gebruik van de vier programma’s is meer dan vroeger sprake van paternalisme, van drang en dwang. Mensen worden aangesproken op hun gedrag en verantwoordelijkheid,’ horen we meerdere keren (o.a. 131, 134). Het probleem is dat ouderen in een geïndividualiseerde samenleving zich niet altijd door rationele argumenten laten overtuigen. ‘Het zal dan ook geen lichte opgave zijn om gevoelens van onvermijdelijkheid en onbestuurbaarheid bij mensen tegen te gaan. … enige vorm van paternalisme en drang kan gepast zijn, ’lezen we op p. 141. (Vgl. 152: over het ‘extra moreel duwtje’). Het paternalisme lijkt terug van weggeweest. De nieuwe ouderenzorg krijgt ook met de dilemma’s van de ‘bemoeizorg’ van elke casemanager te maken. Wanneer wordt zijn vasthoudendheid een vorm van stalken? Maar tot een morele bezinning hierop komt het niet. Welke vormen van paternalisme zijn wanneer wel of niet geoorloofd en waarom wel of niet? En verdraagt het zich bijvoorbeeld met de machtstheorie van Foucault (is bemoeizorg niet gewoon een vorm van disciplinering) en de ideale gesprekssituatie van Habermas (staat deze zorg niet haaks op gelijkwaardigheid in de relatie tussen cliënt en werker) ?
  • Belderok schrijft over de vitale buurt. Essentieel voor een vitale buurt lijkt me de gemengde samenstelling van de bewoners te zijn waarbij jong en oud in een evenwichtige mix vertegenwoordigd zijn. Dat lijkt me ook een belangrijke consequentie te zijn van het door Belderok ondersteunde pleidooi van Mathilda Riley voor een leeftijdsgeïntegreerde, versus een op leeftijdssegregatie gebaseerde samenleving. Vermaatschappelijking betekent ook: gericht op participatie. Belderok snoert dat intergenerationalele perspectief echter stilzwijgend in tot ‘de totale groep ouderen in buurten en wijken.’ (146) Hij verstaat Riley’s (ook door Jan Baars overgenomen) pleidooi voor een evenwichtige mix van de dimensies leren-werken-rusten-zorgen zo, dat vitale en kwetsbare ouderen samen een soort ‘Seniorengenossenschaft’ vormen waarbij ze via het principe voor-wat-hoort-wat op basis van gelijkwaardigheid aan elkaar diensten verlenen op het gebied van leren-werken-rusten-zorgen. Vitale ouderen moeten dus uitgedaagd worden om zich niet in het zwitserlevengevoel te wentelen. Belderok sluit zijn boek met het beschrijven van het Engelse Ryfields, waar een wooncomplex met 243 appartementen is gerealiseerd, dat als coöperatie beheerd wordt door de bewoners zelf, die door een streng gereguleerd instromingsbeleid met elkaar ‘ideale mix van vitale en actieve ouderen naast kwetsbare ouderen’ vormen. (165) Niet alleen doet mij de constructie denken aan de ‘minisamenleving’ voor ouderen uit de jaren zestig, waar Belderok zich zelf zo tegen keert (vgl. 22). Ook lijken me voor het ‘vitaal’ houden van deze gemeenschap (aan de poort, en intern) donkere machtsverhoudingen en -processen vereist, waar ik graag het licht van Foucault nog eens in zou willen laten schijnen. Is Ryfields niet eerder een ouderengetto met een menselijk gezicht dan een vitale buurt?

 

 

 

 

Read Full Post »

marcoen_schaduwen1.jpg

Alfons Marcoen, Ria Grommen & Nancy van Ranst (Red.), Als de schaduwen langer worden. Psychologische perspectieven op het ouder worden en oud zijn, Uitgeverij Lannoo nv, 2006.

Wie aan deze 400 bladzijden Vlaamse gerontologie begint, weet niet of hij een bijbel of een encyclopedie voor zich heeft. Is het een leerboek waarin auteurs (stuk voor stuk vakspecialisten) hun vakgebied presenteren en de laatste stand van hun onderzoek, of is het een boek met een boodschap? Beide, zo blijkt. En dat komt door het stempel dat de meester, Alfons Marcoen, emeritus hoogleraar psychogerontologie aan de KU Leuven, er op gezet heeft.

Een precies wetenschapper, die de oudere mens niettemin in onverholen normatief perspectief beziet. Twee uitgangspunten zijn voor hem daarbij leidend. In de eerste plaats de existentieel-antropologische visie dat mensen ‘competente zinzoekers’ zijn. Mens-zijn is een gegevenheid èn een opgave. Mensen zijn in hun leven aangelegd op zelfverwerkelijking en streven naar levensvervulling. Zij zijn door hun handelen in staat richting te geven aan hun eigen ontwikkeling, in staat tot bewuste zelfbepaling, en hebben een zekere bekwaamheid tot zelfbesturing. Marcoen bedrijft zijn vak vanuit een existentieel perspectief, in de traditie van Viktor E. Frankl, die vanuit het besef dat de mens primair zinzoeker is, zijn ‘logotherapie’ ontwikkelde. Als je weet waarvoor (d.w.z. waar naar toe) je leeft en je hebt de moed er uit te leven, heeft je leven zin, wat je ook meemaakt, ontdekte Frankl, die ooit Auschwitz overleefde.

Marcoen maakt ‘Frankl’ vervolgens a.h.w. geschikt voor de gerontologie, door diens basisintuïtie te combineren met zijn tweede normatieve uitgangspunt, dat hij ontleent aan de Berlijnse gerontoloog Paul Baltes: leven is tot de laatste snik een ontwikkelingsgang en leerproces; ouder worden moet dus als een ontwikkelingstaak worden beschouwd. Zelfs de neergang en aftakeling (die er op fysiek en cognitief gebied onmiskenbaar ook zijn – Paul Verhaegen schetst daarvan in zijn hoofdstuk een ‘eerder grimmig beeld’, 83), worden in dit perspectief geïnterpreteerd als ‘ontwikkelingsfactoren’. Van wat er gebeurt (de beschrijving), wordt niet alleen een verklaring gezocht, maar moet ook op zijn waarde en betekenis worden geschat en van een interpretatie worden voorzien. De empirie kan niet de hermeneutiek, sterker, is erin gefundeerd. ‘Het hermeneutisch aspect is niet slechts een complement maar eerder het dragende fundament van het empirisch-analytisch onderzoek.’ (61)

Marcoen kiest voor een levensloopperspectief, in het ontwikkelingspsychologische spoor van Baltes. Acht uitgangspunten zijn daarbij leidend.
1. ouder worden is een levenslang ontogenetische ontwikkeling, gekenmerkt door:
2. veranderingen in dynamiek biologie – cultuur, waarbij de cultuur steeds meer het groeiende tekort van de biologie moet opvangen.
3. In dat proces worden drie ontwikkelingsfuncties ingezet: groei, en als dat niet meer kan: behoud en herstel en als dat niet meer kan: verliesregulatie.
4. Ouder worden is dus een voortdurende aanpassingsstrategie gekenmerkt door:
5. de dynamiek van winst en verlies, waarbij ouderen niet alleen aan de verlieskant staan en jongeren altijd winnen.
6. Er is daarbij sprake van grote intra-individuele plasticiteit (elk mens wordt anders ouder, en hoe men oud wordt heeft wortels in voorafgaande levensfasen.)
7. binnen een veranderende historisch-culturele context
8. waarbij globaal drie strategische middelen worden ingezet in een effectieve onderlinge coördinatie: Selectie (van doelen), Optimalisatie (in de manier waarop de doelen worden nagestreefd) en Compensatie (als de doelen niet gehaald kunnen worden)

In de drie gerontologische visies die Marcoen onderscheidt (het deficitmodel: ouder worden is aftakelen), het rust-roestmodel (‘if you don’t use it, you lose it’) en het competentiemodel kiest hij daarmee voor het laatste. Succesvol ouder worden is een ontwikkeling waarbij mensen zelf actief (Marcoen zegt liever: constructief) betrokken zijn.
Binnen dat omvattende existentieel-hermeneutisch kader worden in verschillende hoofdstukken zo’n beetje alle facetten van het ouder worden gepresenteerd. Niet alleen de psychologie komt aan bod, maar ook de biologische en cognitieve veroudering (wie geen ‘competente zinzoeker’ is, zal niet vrolijk worden van het daar geschetste beeld!). Een heel deel is ook gewijd aan de ‘nabije relatiekring’ van ouderen, waarin deskundige auteurs ingaan op zaken als intimiteit, familierelaties, vriendschap en eenzaamheid.
In de laatste twee delen van het boek (‘Optimaal ouder worden’ en ‘Tussen pijn en vervulling’) zet Marcoen zelf echter weer een zwaarder accent.

Wat me daarbij opviel was dat bij zoveel accent op zingeving (‘Optimaal ouder worden en oud zijn vandaag is in de eerste plaats zin zoeken’, lezen we op p. 381) de aandacht voor het levensverhaal beperkt en beheerst blijft. Marcoen beschouwt de soms trendy nagevolgde ‘narrative turn’ niet als een totale omwenteling. Het tot zinvolle eenheid brengen van een biografie veronderstelt actieve ‘autobiografische exploratie’, zeker, maar zingeving gaat niet op in het verhalen vertellen. Het accent ligt bij Marcoen veeleer op het niveau eronder, dat van de levensthema’s (Thomae, 191) (of in andere termen: personal concerns (McAdams), personal action constructs (Hooker), persoonlijke projecten (Little), levenstaken (Cantor), persoonlijke strevingen (Emmons), possible selves (Markus/Nurius, vgl. ook 223) en de levenstechnieken. Een levensthema is ‘wat het traject tussen een bepaalde begintoestand naar een bepaalde eindtoestand in het leven van iemand inhoudelijk duidt en synthetiseert.’ (191) Het is dat waar iemand op een bepaald moment echt ‘mee bezig is.’ Thema’s hebben een temporele dimensie. Ook als ze tijdelijk zijn (het verwerken van verlies, het voorbereiden op een verhuizing) vragen ze erom om tenslotte wel geïntegreerd te worden in een levensverhaal, maar ze onderscheiden zich er wel van.
Een narratieve benadering heeft de neiging om de aandacht te exlusief te concentreren op de ultieme zinhorizon van mensen. Maar in het zinpanorama van ouderen wordt er niet altijd even breed en ver gekeken. Zingeving is – Viktor Frankl benadrukt het keer op keer – vaak concreet dagelijks en doordeweeks handwerk, en niet iets alleen voor de ‘zondag’. Ook zingeving heeft een temporele dimensie. ‘What matters is not the meaning of life in general but rather the specific meaning of a person’s life at a given moment. (…) Everyone has his own specific vocation or mission in life to carry out a concrete assignment which demands fulfillment.’ Je vraagt toch ook niet aan een schaakkampioen: ‘Grootmeester wat is de beste zet van de wereld?’ Dat hangt immers van het spel en je tegenstander af. Beantwoording van de zinvraag is een geheel van kort- en langlopende, van concrete en meer abstracte opdrachten die je door het leven zelf worden gesteld. (Frankl, Man’s Searching for Meaning, 131) Soms zijn mensen druk met het schrijven van de volgende regel in hun levensverhaal, en is de hoofdstukkenindeling helemaal niet aan de orde.

Marcoen stelt daarom (in lijn met Havighurst, 1953) het concept ‘ontwikkelingstaken’ in de ouderdom centraal (312v.). Hij ontwikkelt een taxonomie van ontwikkelingstaken en gaat in op de effectieve ‘levenstechnieken’ (Thomae) waarmee ouderen proberen aan hun levensthema’s te werken. Uitvoerig gaat hij in op de breedte en diepte van de zingevingsarbeid van ouderen.
In de ontwikkelingstaken onderscheidt hij

  • vijf niveaus: Taken m.b.t. de hele levensloop (gezondheid, moraliteit); een bepaalde levensperiode (bv. huwelijk); anticipeerbare processen (beginnen met werken, pensioen, lege nest); kortere duidelijke gedefinieerde episodes (een cursus volgen, verhuizen naar instelling), korte regelmatig voorkomende episodes (bv. vakantieplannen)
  • en acht domeinen: (1. gezondheid, 2. wonen, 3. huwelijk,gezin en familie, 4. beroep en vrije tijd, 5. sociaal en politiek, 6. persoonlijkheidsontwikkeling, 7. de tijd, 8. het bestaan. (306v.))

De ontwikkelingstaken zijn dynamisch op elkaar betrokken en ook niet altijd allemaal even belangrijk. Mensen leggen individueel een hiërarchie aan, die ook niet voor iedereen even veel ‘dieptelagen’ kent. Voor spiritualiteit (Marcoen gaat er uitvoerig op in; de ‘gecultiveerde band met de grond van het bestaan’ is gezien het zingevingsdeficit in onze cultuur en het dichtslibben van de lijn naar de religieuze tradities van toenemend belang) heeft niet iedereen een antenne.
Oud worden is, in de optiek van Marcoen, dus hard werken. Mensen staan voor de opgave om zichzelf voortdurend opnieuw te definiëren. Aanpassing van levensstructuur (het soort leven dat men geeft) en identiteit (wie men is) ‘is een omvattende ontwikkelingstaak die iedere ouder moet vervullen.’ En dat maakt ouder worden ‘tot een persoonlijke prestatie’. ‘Er valt van het ouder worden iets te maken. Door, ondanks vaak niet te keren veranderingen op lichamelijk en sociaal gebied, toch iets goed te maken van ons leven, overstijgen (transcenderen) we het zonder meer oud worden.’ (296)
In de beschrijving en analyse van hoe mensen dat doen, blijkt Baltes een belangrijke, nuchtere en scherp ziende gids. Groei en aftakeling zijn in zijn visie elkaars keerzijde. Al is uiteindelijk het verlies onafwendbaar, ook vanaf het begin van het leven is er verlies, ook aan het eind is er winst te behalen.

Vanaf het begin van ons leven investeren we al onze energie en hulpbronnen waarover we beschikken in het bereiken van drie uitkomsten of doelen: groei, behoud en herstel, en verliesregulatie. (299) Processen die op alle leeftijden kunnen voorkomen. Marcoen: ‘Door het beklemtonen van de levenslange dynamiek van winst en verlies en de identificatie van de drie processen van hulpmiddelenallocatie (groei versus behoud versus verliesregulatie) slaagt Baltus er in de psychologie van de ontwikkeling en van het ouder worden op één noemer te brengen.’ (300)
Succesvol ouder worden is in Baltes’ theorie een zaak van succesvolle ontwikkeling (303vv.) met inzet van a. de drie genoemde ontwikkelingsfuncties (groei, behoud/herstel, verliesregulatie) en b. de levensmanagementstrategieën van selectie, optimalisatie en compensatie. Daarbij wordt gestreefd naar:

1. maximalisering van de winst en minimalisering van het verlies aan adaptatievermogen.

2. Die optimale verhouding tussen winst en verlies kan alleen bereikt worden door steeds meer cultuur in te zetten om het verlies in de biologie te compenseren.

3. het bereiken van waardevolle doelen (nieuwe, soms eenvoudiger dan de oude)

4. behoud van de lichamelijk en mentale functionele status en zo mogelijk daarin nog winst maken (het geloof in de eigen interne ‘locus of control’ is daarbij van groot belang)

5. herstel van verlies in belangrijke levensdomeinen, d.m.v. assimilatieve technieken.

6. slagen in verliesverwerking en verliesregulatie (onbereikbare doelen loslaten, maatstaven aanpassen).

In het verlengde hiervan ligt Marcoen’s eigen voorstel om te spreken van ‘constructief ouder worden’. Hij beklemtoont daarbij de bijdrage van de oudere zelf, die op actieve wijze zelf mede vorm aan zijn/haar leven geeft. Ouder worden is een opgave die 1. ervaring en inzicht; 2. een goede wil; en 3. een draagkrachtige en ondersteunende omgeving vereist.
In de twee klassieke tradities in het meetbaar maken van welzijn, welbevinden, geluk etc.(de eudemonistische en de hedonistische), staat Marcoen daarmee duidelijk in de eerste traditie.
Dat ouderen erin slagen om ondanks gezondheidsproblemen toch een vrij hoge mate van welbevinden te bewaren, is te danken aan hun mentale veerkracht (‘spirit’) om met tegenslagen constructief om te gaan. Ze zetten dan actief een drietal levenstechnieken in om zich door verlieservaringen heen te slaan:

1. assimilatie (m.b.v. compensatorische technieken proberen de discrepantie tussen doelen en zelfprestatie ongedaan te maken; trainen bv.), en als dat niet meer lukt:

2. accommodatie (onbereikbare doelen loslaten of door bereikbare vervangen) en

3. immunisering (het zich onkwetsbaar maken voor de discrepantie, door bv. in de zelfdefinitie steeds meer op het verleden te steunen). (352vv.)

De technieken lijken zo beschreven op naar believen inzetbare instrumenten. Maar alleen wie de existentiële moed vat om ze in te zetten bij zijn zoektocht naar zin zal er baat bij vinden en beter oud worden. Uiteindelijk komt het bij ‘constructief oud worden’ aan op wat mensen drijft en bezielt.

Een paar mooie bladzijden over spiritualiteit (gedefinieerd als: ‘de geest die iemands leven bezielt’, 401) en de hoge ouderdom sluiten het boek af.

Een boek met een schat aan kennis en informatie, maar ook een wijs en inspirerend boek. Een gerontologische encyclopedie en bijbel tegelijk.

Read Full Post »

agein_society_klein.jpg

Ageing in Society (3rd Ed.) Editors: John Bond, Sheila Peace, Freya Dittmann-Kohli & Gerben Westerhof, Sage Publications, 2007

Het gaat om de derde, volledig herziene versie van een klassiek handboek, waarin nadrukkelijk geprobeerd wordt een Europees perspectief in te nemen. Een keur van gerontologen werkt er aan mee. Tussen een introducerende bestandsopname van wat oud worden vandaag, europees en globaal gezien, betekent en een slothoofdstuk waarin de uitdagingen van de toekomst van de ouderdom centraal staan, passeert een schat aan informatie, vaak zo gedrongen en gecondenseerd gepresenteerd dat achter elke zin weer tien andere perspectieven opdoemen.

De aftrap is voor de biologen. Rudi Westendorp en Thomas B.L. Kirkwood (de man van de disposable soma theorie) geven een adembenemende overzicht van ouder worden in evolutie-theoretisch perspectief. Hoopvolle kern: voor oud worden is er geen genetisch programma, dus hoe de ouderdom er in de toekomst uit zal zien ligt niet vast. Minder vrolijke boodschap: we zullen wellicht langer leven, maar daarvan meer jaren in slechtere gezondheid doorbrengen.

De hand van Alfons Marcoen is te herkennen in het volgende hoofdstuk over Psychological Aging, met ook verhelderende paragrafen over methodologie (over onderzoekstechnieken schrijven Victor, Westerhof en Bond een afzonderlijk gedegen hoofdstuk). Het lijkt wel alsof zijn Nederlandse handboek (‘Als de Schaduwen langer worden…’) in gecondenseerde vorm is herschreven.

Nadat zo een gedegen ‘antropologisch vloertje’ is gelegd, komen uitvoerig de sociale gerontologen aan het woord. Chris Philipson en Jan Baars laten vanuit hun ‘kritisch- gerontologisch’ gezichtspunt zien hoe oud worden (en de theorieën daarover) sociale constructies zijn en inzet van politieke strategieën, en dat globaliseringsprocessen nieuwe sociale ongelijkheden in de positie van ouderen zullen scheppen (een gegeven dat ook in het slothoofdstuk terugkomt).

Er volgen vergelijkende studies over wet- en regelgeving en sociaal-politiek beleid in verschillende Europese landen, over gezondheid en afhankelijkheid (Bond, Rodriguez Cabrero; met opnieuw het paradoxale gegeven dat ouderen met – een ‘objectief’ gezien – slechte gezondheid zichzelf subjectief veel gezonder inschatten, maar dat, als ze dat eenmaal doen, wel weer langer leven dan de hypochonder), sociale zekerheid (Gerhard Naegele, Alan Walker) en arbeid en pensioen (Harald Künemund en Franz Kolland), waaruit blijkt dat er van ‘Unie’ in de EU nog weinig sprake is: zorg is Angelsaksisch (medische zorg publiek, sociale zorg privaat), continentaal (mix privé-publiek), ‘noords’ (alles publiek) of mediterraan (nog steeds vooral privaat) georganiseerd, hoewel er overal nu wel de tendens is tot selectieve privatisering); sociale zekerheid sociaal-democratisch (Scandinavië), liberaal (UK), corporatistisch-conservatief (de meeste andere Europese landen, aan inkomen gekoppeld) en basaal (Griekenland, Portugal, Spanje); maar ook daar de gedeelde Europese tendens tot privatisering van de pensioenen en verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd.

Vervolgens komen bijdragen over persoonlijke relaties en ouderen (waarin mèt de post-moderne individualisering ook de terugkeer van de – weliswaar nu verticale – extended family wordt gesignaleerd), en twee bijdragen vanuit een ecologisch (over de wisselwerking tussen omgeving en de ouder wordende mens) en een sociaal-constructionistisch paradigma (over de culturele constructie van identiteiten van ouderen).

Ralph Krampe en Lynn McInnes schrijven over cognitieve compententie (een bijdrage die m.i. wel eerder in het boek had gekund), waarop een hoofdstuk van Freya Dittmann-Kohl en Daniela Jopp over self-management volgt, waarin geprobeerd wordt om drie oorspronkelijk beschrijvende coping-theorieën (Brandstädter’s model van accommodatie en assimilatie; Baltes’model van selectie, optimalisatie en compensatie en Heckhausen’s theorie van adaptatie d.m.v. verschuiving van primaire naar secundaire controle) therapeutisch aan te bieden aan de Derde Leeftijder, om er zijn of haar voordeel mee te kunnen doen.

In de toekomstverkenning tenslotte komen inzichten eerder in het boek ontwikkeld weer terug. Als ouderen alsmaar met meer komen en alsmaar ouder worden, wie zorgt er dan voor hun sociale zekerheid, wie zal hen verzorgen als het moet? We zullen – en kunnen ook – anders over arbeid moeten gaan denken. Ageism zal moeten verdwijnen. En als families minder stabiel en hecht worden, zullen vriendschappen een belangrijkere rol gaan spelen. Postmodern oud worden betekent echter ook dat het oud worden in de 21e eeuw niet over mensen heen komt als een regenbui, maar dat ze zelf de hand zullen hebben in de constructie van hun nieuwe identiteit.

 

 

Read Full Post »

dohmen.jpgJoep Dohmen, Tegen de onverschilligheid. Pleidooi voor een moderne levenskunst. Amsterdam: Ambo 2007.

Wat Dohmen wil met zijn ethiek van de levenskunst is misschien het beste te begrijpen als men haar situeert in het veld van de discussie over (neo)liberalisme vs. communitarisme. Het liberalisme individualiseert ons radicaal, maar is verder helemaal niet geïnteresseerd in de vraag of wij de vrijheid wel kunnen dragen. De markt reduceert ons tenslotte tot consumenten. Moeten we dan van de weeromstuit vluchten in het communitarisme, en ons koesteren in gemeenschappen en tradities? Neen, zegt Dohmen – en ik val hem van harte bij – we moeten de negatieve vrijheid van het neoliberalisme vullen met een krachtig verstaan van positieve vrijheid. ‘Het individualisme moet vanuit een ander individualisme worden gecorrigeerd.’ (200) Het liberalisme heeft te weinig oog voor de kwestie van de geestelijke weerbaarheid van het individu. Dat een mens weer weet waarvoor hij leeft en het eigen leven authentiek (176!) en weerbaar ter hand neemt! Levenskunst is uit op empowerment. (128v.) (133)

Dohmen zet een lijn in de klassieke filosofie door die – zo Hadot – als inzet had: ‘Het geestelijk weerbaar maken van de kwetsbare mens onderweg in zijn bestaan.’ (143) Het komt erop aan de uniciteit van het individu in ere te houden, maar ondertussen de kortzichtige liberale moraal van zelfbeschikking te corrigeren. Het leven is tragisch, we kunnen worden gekwetst en verlaten. Wat we kunnen en moeten: daarin een innerlijke orde zoeken, en een zekere gemoedsrust en vitaliteit bewaren. (201)

Levenskunstethiek is een ethiek van zelfzorg. Het draait er om zelfsturing met het oog op het goede leven. Dan moet men niet vies zijn van krachtig moraliseren. Dohmen is onverholen normatief in zijn oordeel: ‘het moet ergens over gaan, anders is ons leven niet geslaagd.’ (16) Mensen zijn evaluatieve wezens, op zoek naar een zinvol, waardevol leven. Daarom moeten we het belang van het waarderen leren inzien, en op zoek gaan naar ons eigen normatieve kader. Een eigen rangorde van waarden aanleggen en daarin authenticiteit nastreven.

Uitgangspunt van de ethiek van de levenskunst is de norm dat iemand zichzelf verantwoordelijk stelt voor zijn eigen levenslot. Dat hij bewust gaat leven en zich oefent in zelfexpressie, in daadkracht. Natuurlijk, het leven is niet maakbaar, volledige controle is niet mogelijk. Maar op zijn minst kan men toch van graduele verantwoordelijkheid spreken. Wie niet aan zelfbeheer doet, wordt beheerd. (158) Zelfverantwoordelijkheid is de poging de gang van je leven tot op zekere hoogte te beheersen en te sturen. (37)

Met dit program voor ogen leidt Dohmen de lezer door mooie hoofdstukken over achtereenvolgens de klassieke levenskunstethiek van Socrates, Plato, Stoa, Epicurus, cynici, de herontdekking ervan door Nietzsche (Dohmens dissertatieonderwerp) die in de lijn van het romantisch expressivisme (‘Word wie je bent!’) oproept tot een vitaal en creatief bestaansontwerp, de ethiek van de zelfzorg van Foucault, en diens leermeester Hadot. En ondertussen worden er ook nog wat interne UvH discussies met Manschot en Kunneman beslecht.

Dohmen zelf komt pas goed aan het woord in de hoofdstukken daarna, over authenticiteit als levenshouding (met Taylor gezien als ‘het belangrijkste morele ideaal van onze tijd.’ (191)) Iemand is in de ogen van Dohmen authentiek ‘als hij een doorleefde levenshouding heeft gevonden waarin hij gaandeweg zijn eigen waardeschaal heeft ontwikkeld en op grond daarvan zijn eigen autoriteit is geworden.’ (171) Ik vraag me af of Dohmen bij dat ‘eigen’ toch niet teveel met oorspronkelijkheid en originaliteit vereenzelvigt. (162, 165, tegenover 179).

Terecht vraagt hij afzonderlijke aandacht voor de morele dimensie van authenticiteit: authentiek als waarachtig en oprecht. Wie elke vorm van verantwoordelijkheid voor het eigen handelen wil ontlopen, is onwaarachtig, en moet men in de lijn van het existentialisme ‘te kwader trouw’ noemen. Je moet niet willen ontkennen dat je aan de basis van je eigen handelen staat. (169) Dohmen voert een krachtig pleidooi voor een sterke vorm van subjectiviteit, die haar eigen innerlijke rangorde van waarden aanlegt en serieus neemt. De onverschilligheid uit de titel is vooral te verstaan als lauwheid tegenover zichzelf.

Relevant voor ‘goed oud worden’ is ook het hoofdstuk over de tijd, waarin de temporele dimensie van levenskunst naar voren wordt gehaald. Mensen hebben tijd van leven; en levenskunst is de kunst van timing, een vorm van kairologie. (213) De standaardbiografie deelde de levensloop in in fasen en verstond levenskunst als het naar behoren vervullen van de rol die men in de verschillende fase had te spelen. Nu we met keuzebiografieën te maken hebben is de belangrijkste vraag geworden hoe we de (vaak tragische) overgangen en cesuren in de levensloop het best kunnen maken. ‘Goed leven in de tijd betekent: goed overgaan.’
Er moet een levensritme worden bepaald. Versus het modern activisme dat alles tegelijk wil (de oude Grieken spraken van polypragmosunè) moeten we rangordes willen maken, first things first. Dohmen citeert Nietzsche: Men denkt tegenwoordig met het horloge in de hand. Men leeft als iemand die ‘voortdurend ergens te laat kan komen.’ Maar de dingen hebben hun eigen duur. Heerlijk is het om midden in een vakantie waarin ik mijn tijd flink verlummelde te lezen hoe serieus Nietsche de vraag vond: ‘Waar heb ik mijn tijd met plezier verdaan? Waar heb ik hem verknoeid zonder er spijt van te hebben?’ (211) Hoe sneller de technologie gaat, en tijd ‘wint’, hoe minder tijd, trage tijd we hebben.
Dohmen schrijft ook mooi over hoe we met ons leven een spoor trekken in de tijd, en elke stap die we doen onze identiteit vormt, een ‘trajectory of the self’ (214) Of we met zijn levenskunstethiek ook goed oud kunnen worden? Daarover straks tot slot nog een paar opmerkingen.

Het hoofdstuk over ‘leven volgens een ideaal’ intrigeerde mij het meest. Dat komt omdat ik evenals Dohmen iets heb (ook in de zin van: iets heb te verhapstukken) met zijn sparringpartner in dat hoofdstuk, John Kekes. Levenskunst is volgens Kekes leven volgens een ideaal en je levensprojecten daarop afstemmen. Idealen zijn overkoepelend, projecten zijn concretiseringen daarvan. Je kunt dat ideaal weliswaar nooit bereiken, maar wel belichamen. De handelingen waarmee het ideaal wordt nagestreefd, zijn nooit louter middel om dat ideaal te bereiken. Ze zijn een vorm van praxis (in onderscheid van poeisis, waarmee de activiteiten worden aangeduid om projecten te realiseren, en die zijn wel instrumenteel). Zulke handelingen drukken het ideaal als het ware uit. Bij praxis ligt immers het doel, het wezen, in de handeling zelf, het handelen zelf verschaft voldoening.
Het nastreven van een ideaal wordt daarmee constituerend voor een manier van leven. Persoonlijke excellentie gaat bij Kekes bovenal om het belichamen van individuele idealen.

De combinatie van idealen en projecten levert beste, eervolle, eerloze en slechte levens op.
1. De beste mogelijkheid is dat je leeft volgens je idealen en je projecten ook slagen:
2. de eervolle mogelijkheid is dat je er in slaagt te leven volgens je ideaal, ook al faal je in je projecten
3. de eerloze mogelijkheid is dat je slaagt in je projecten, maar faalt in het ideaal
4. de slechtste mogelijkheid is dat het je niet lukt om te leven volgens je idealen en dat ook je projecten mislukken.

De keuze van je idealen en de stijl van leven die daarbij hoort is belangrijker dan de keuze van je handelingen. Om de idealen te kunnen naleven moet je jezelf transformeren in de juiste persoon, door het vormen van een bepaalde levenshouding (karakter). Dat proces van zelftransformatie conform het gestelde ideaal noemt Kekes zelfsturing. Je ontwikkelt een houding, een ‘dominante attitude’.

Dohmen heeft een soort haat-liefdeverhouding met Kekes, al is ook duidelijk dat hij zich behoorlijk door hem laat inspireren. Met behulp van het jammerlijke verhaal over Mr. Stevens, de tragische butler uit Kazuo Ishiguro’s The Remains of the Day¸die heel zijn leven liet beheersen door één ideaal (waardigheid) en één project (butlerschap) concludeert Dohmen: ‘Het is levensgevaarlijk om het leven in te richten naar één ideaal.’ (251) Niet alleen verongeluk je er zelf mee als het tegenzit, ook ben je gemakkelijk geneigd anderen ervoor op te offeren. Met de nuchtere scepsis van de pluralist Isaiah Berlin betoogt Dohmen dat het beter is te streven naar een rangorde van – wellicht ook conflicterende – waarden, dan een ideaal aan te hangen. (260). ‘De mens uit één stuk is een onverdraaglijk wezen’. (261) Ik vind dat Dohmen hiermee te snel zich van het ideaal afmaakt.  Hij suggereert dat idealen er alleen in gesloten vorm zijn, als politieke utopie. Maar er zijn toch ook open idealen, waarvan we weten dat ze nooit helemaal gerealiseerd  kunnen, terwijl we er toch voor gáán? Ook ‘waarden’ worden idealen, zodra ze in een voorstelling worden gegoten en de situatie hier en nu transcenderen. Deze levenskunstethiek heeft een evenwichtig en realistisch idealisme (Wibren van der Burg) nodig, om niet in pragmatisch scepticisme te blijven steken.

Een mooi hoofdstuk over vriendschap besluit het boek. We komen er veel tegen dat we ook elders kunnen lezen. De laatste bladzijden troffen me als het meest ‘authentiek’, als écht Dohmen. Vrienden kunnen, zegt hij, drie dingen voor elkaar doen. Allereerst: elkaar beschermen tegen de onzekerheid van de menselijke conditie. Zo houden ze voor elkaar de hoop levend, het nihilisme buiten de deur. Vervolgens: aansturen tot zelfvervulling (vriendschap is ‘de enige plek waar een intense bemoeizucht is toegestaan’, 284). Tenslotte: elkaar gelukkig maken. Als er geluk te bleven valt, dan kan dat alleen gedeeld geluk zijn.
Hoezo, levenskunstethiek een navelstaarderig individualisme?

Kun je met ‘Dohmen’ goed oud worden? Het loont de moeite het boek eens vanuit die vraag te lezen. Dan ontkom ik niet aan een paar kanttekeningen in de marge.

1. Dohmen’s levenskunstenaar heeft veel heden en toekomst, maar weinig verleden. Toch: men is ook wat men is geweest. Wat te doen met de herinnering, het verleden dat waaraan men onlosmakelijk toebehoort, dat men ‘heeft’, maar dat tegelijk ons steeds weer (en ook: steeds meer?) ontglipt? Omvat levenskunst ook niet het goed kunnen omgaan met het verleden?

2. Levenskunst is leren omgaan met lijden en tragiek, weet Dohmen. Toch valt op – ik sluit aan op het eerste punt – dat wat Viktor Frankl ooit de ‘tragische triade’ van lijden, schuld en dood noemde, het lijden wel het volle pond krijgt, maar schuld in het geheel niet ter sprake komt, en de dood slechts in de marge (zie straks punt 3). Behoort tot het leven in de tijd niet ook dat men steeds meer schuld opdoet en steeds meer – misschien tegelijkertijd – slachtoffer wordt van de schuld van anderen? Is ouder worden ook niet een zaak van recht doen, recht recht zetten, recht zoeken, van verzoenen en vergeven. Geen woord daarover bij Dohmen.

3. Postmoderne levenskunsethiek houdt bewust de Grote Levensvragen buiten de deur. Dohmen moet niets hebben van een ontologisch vloertje onder zijn ethiek. Pluralistisch en pragmatisch – zo moeten we vandaag te werk; exit de grootse theologische en antropologische ontwerpen, waarbij de mens eerst werd ingebed in een kosmische of religieuze orde en vervolgens pas, als een afgeleide daarvan, de vraag aan de orde kwam hoe te leven. Maar laat de metafysische vraag zich – ook in de ethiek – wel zo gemakkelijk afstoppen, als Dohmen hier doet? Waarom zijn we er überhaupt, en niet veeleer niet? Waarom zijn we er maar zo even en zijn we er ook maar weer zomaar gewéést? De dood krijgt anderhalve bladzijde in het boek (215v.), en de verwijzing naar de rijke traditie van de ars moriendi is niet meer dan dat. Inderdaad, Dohmen heeft gelijk als hij daar zegt: ‘De dood ontneemt de vanzelfsprekendheid aan ons leven.’ Daar heb je geen metafysica voor nodig. Maar dan zijn conclusie: ‘dankzij onze sterfelijkheid is een zinvol en geslaagd leven pas mogelijk’ – die filosofische claim hangt toch zonder een of andere vorm van – hoe minimaal ook – levensbeschouwelijkheid volledig in de lucht? Hoe de wanhoop buiten de deur te houden dat het leven (en dus ook het mijne) volstrekt zinloos is? Ook al leven we lang, het blijft een ademtocht. En dan: wat is de zin van een – ze zijn er bij bosjes – mislukt leven? Zonder een vleugje metafysica krijgt men de zinvraag niet rond.

Read Full Post »

Older Posts »