Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Beleid’ Category

houben2Piet Houben, Interactief levensloopbeleid. Vensters en gereedschap om de tweede levenshelft vorm te geven. SWP Amsterdam 2009.

Met dit boek presenteert Houben (emeritus hoogleraar Toegepaste Sociale Gerontologie, consultant en trainer) een vervolg op en een update van Levensloopbeleid, dat in 2002 verscheen. Het is bestemd voor mensen die samen met hun omgeving in hun tweede levenshelft zich willen blijven ontwikkelen. Houben beschouwt de levensloop niet bij voorbaat als een opgaan, blinken en verzinken, maar als een voortdurende mogelijkheid  tot groei. Biologisch mag een mens over de vijftig over zijn top heen zijn, psychologisch en sociaal heeft hij nog veel groeipotentieel in huis, dat er om vraagt aangesproken en benut te worden. (meer…)

Advertenties

Read Full Post »

door Max de Coole

Volgens de opstellers van het manifest ’Waardige Zorg Nederland’ dat op 4 november j.l. zou worden aangeboden aan staatssecretaris Bussemaker, komt de hulp aan ouderen steeds meer onder druk te staan. De aanpak van de overheid draait volgens hen niet om de ouderen zelf, maar om kostenbeheersing
Diezelfde dag confereerden in Ede professionals uit de ouderensector onder de titel ‘Het einde van de ouderenzorg?’. Een alarmerende titel, op het eerste gezicht. Maar op het congres in Ede (t.g.v. het jubileum van het tijdschrift Gerōn) werd niet richting Den Haag geklaagd, maar werden nieuwe wegen verkend en initiatieven gepresenteerd. Het manifest Waardige Zorg constateert ‘We (de zorginstellingen) waren de bal kwijt en kwamen nooit meer in ons spel’. En de boosdoener is blijkbaar de overheid. Het  klassieke ‘wij – zij’ schema.
(meer…)

Read Full Post »

Protestantse Theologische UniversiteitReliëf

Bent u als professional of als vrijwilliger betrokken bij de begeleiding van ouder wordende mensen in hun levensvragen?

In januari 2008 startte voor het eerst de Masterclass Ouder Worden in Perspectief, een intensieve cursus van tien maandagen in het voorjaar. In het voorjaar van 2010 zal hij voor de derde keer worden aangeboden, wegens succes geprolongeerd.

U kunt zich aanmelden bij het bureau van de PThU (mw. Hinke Hendriks, tel. 038-543611;hhendriks@pthu.nl).

VOOR 2010 IS HET MAXIMUM AANTAL DEELNEMERS BEREIKT.

IN 2011 WORDT DE MASTERCLASS OPNIEUW AANGEBODEN.

SCHRIJF U NU ALVAST IN!

(meer…)

Read Full Post »

 

Dick Sipsma, Van oude mensen...

Dick Sipsma, Van oude mensen...

Dick Sipsma, Van oude mensen, de dingen die gaan komen, Cossee Essay, Uitgeverij Cossee BV, Amsterdam 2008

 

Met Van oude mensen, de dingen die gaan komen, heeft Dick Sipsma een aanstekelijk optimistisch boekje geschreven over de toekomst van het ouder worden. Sipsma, medicus en als arts en hoogleraar een lange staat van dienst in de gerontologie en geriatrie, stoort zich met dit essay niet aan vak- en disciplinegrenzen. Met de joyeuze vrijheid van geest de gevorderde leeftijd eigen, schetst hij een beeld van de oude dag van morgen die in niets meer op die van vandaag lijkt.  Met vooroordelen tegen ouderen maakt hij korte metten: het gaat hier meestal om kwalijke en gedachteloze staaltjes van leeftijdsdiscriminatie,  die bij de huidige stand van de wetenschap geen enkele grond meer in de werkelijkheid hebben. Integendeel, bij het huidige tempo van voortschrijden van de techniek (of het nu het sleutelen aan de genen of de domotica betreft) is het nog slechts een kwestie van tijd, of we hebben de gemiddelde levensverwachting tot aartsvaderlijke proporties weten op te krikken. Daarbij zullen we voorgoed afscheid kunnen nemen van het beeld van het kwakkelende oudje: we zullen tot op hoge leeftijd gezond kunnen blijven en dan snel en pijnloos aan comorbiditeit sterven. 

Sipsma is utopist, en schaamt zich er niet voor.  Voor hem lopen werkelijkheid en toekomstdroom soms naadloos in elkaar over, als we er met zijn allen maar voor gáán.  Al gaat hij in zijn bespiegeling wijde cultuurfilosofische vergezichten niet uit de weg; hij blijft daarin wel de medicus, die zich op feiten wil baseren.  Een vooruitgangsgelovige van de oude stempel, die heilig gelooft in de macht van de ratio. Wie ouderdom alleen als aftakeling ziet gebruikt zijn verstand niet! Hij laat zich ringeloren door een gerontologisch deficit-model! Oud worden als (ader) ‘verkalking’, of als mechanische ‘slijtage’ – het zijn ideologische beelden die er feitelijk volstrekt naast zitten. Oud worden is, aldus een recent gerontologisch model dat dichter bij de werkelijkheid staat,  hoogstens te omschrijven als een proces van toenemende kwetsbaarheid, frailty.  Dat kan de ouderdom net zo goed vergallen. Maar aan slijtage is niets te doen, aan kwetsbaarheid wel – dat is het verschil, zegt Sipsma. 

Als we maar kijken met de ogen van de wetenschap, raken we volgens hem allerlei vormen van ‘ageïsme’ vanzelf kwijt, Neem het vooroordeel dat als je maar oud genoeg wordt, je vanzelf ‘kinds’ of ‘seniel’ wordt. Zo werd dat in de vorige eeuw nog genoemd. Nu weten we dat dementie een ziekte is, en niet iedereen dement wordt. Ziektes kun je bovendien behandelen en – in de toekomst hopelijk – genezen.

Dat we met zoveel tegelijk nu steeds ouder worden, is ook geen ramp, maar een zegen, aldus de tegendraadse Sipsma. De vergrijzing is geen demografisch ongelukje in de evolutie, maar een blijvertje. Sterker nog: het is een historische noodzaak. We móeten wel ouder worden, nu de menselijke cultuur zo complex wordt dat mensen een lang leven nodig hebben om al die kennis aan te sturen en over te dragen. Dat we ouder worden vloeit noodzakelijk voort uit de evolutie van de menselijke cultuur.

Voor een evenwichtige samenleving hebben we de wijsheid van de nieuwe oudere (door Sipsma de ‘novogeront’ gedoopt) hard nodig. Takelen dan ouderen ook cognitief niet af? Zullen ze het niet afleggen tegen de flexibiliteit van de jongeren, waar onze dynamische kenniscultuur in zijn lofzang op de jeugd om vraagt?  Ook dit vooroordeel kan Sipsma met wetenschap ontkrachten. Met bijv. Elkhohon Goldberg (De wijsheidsparadox) kan hij zeggen dat jongeren innovatiever zijn dan ouderen, meer uithoudingsvermogen hebben en meer kunnen ‘multitasken’, maar dat ouderen op hun beurt een groeiend vermogen hebben tot patroonherkenning. Zij weten snel en vaak feilloos  inzicht te hebben in waar het in complexe situaties om gaat en in welke richting de oplossing ligt (32v.). Als we inzien dat ze beide elkaar nodig hebben, zal er een vitale samenleving ontstaan die warmer, socialer, rustiger is dan die we nu kennen.

Wie medisch zo vrolijk gestemd is over de nieuwe oudere als Sipsma, stemt er ook niet mee in dat hij maatschappelijk na veertig jaren trouwe dienst wordt afgeserveerd. Met pensioen gaan kan altijd nog, zegt Sipsma, die zelf ook van geen wijken weten wil. De driefasen structuur van scholing, werk en pensioen  is dan ook te beschouwen als een erfenis uit de 19e eeuw. Hij zal  vervangen worden door een samenleving waarin we levenslang leren, recreëren en werken, en dat allemaal naast en niet meer na elkaar (Sipsma volgt hier Mathilda Riley, overigens zonder haar te noemen).

Heerlijk, zo’n toekomstvisie, die even een andere toon aanslaat dan de gerontofobische doemscenario’s, die de discussies over de betaalbaarheid van de AOW en de chronische tekorten aan mensen en geld in de ouderenzorg aanjagen.  We kunnen deze utopie in die debatten goed gebruiken. 

Maar hoe reëel is hij uiteindelijk?

Met zijn vooruitgangsgeloof blijft Sipsma toch een typische 19e eeuwse sciëntist, die veel, zo niet alles verwacht van wetenschap en techniek. Waar die open plekken laten, vult hij ze met het evolutionairtheoretisch paradigma.  Zo veegt hij aan het eind van zijn beschouwing de vloer aan met de hypothese van een ‘intelligent design’ en ‘de god van (Cees) Dekker’. Maar lijkt hij zelf welhaast met even grote religieuze bevlogenheid te geloven in de weldaden van de verzilverde samenleving, die ons door de genetische versleuteling van ons genoom (‘wat ethici en antitranshumanisten ook zullen zeggen’, 87) ten deel zullen  vallen.  Aanstekelijk optimisme is prima, denk ik bij het slot van het boekje, als het betoog wat uit de rails gaat lopen, maar een tikkeltje minder toekomstgelovig mag ook. 

Read Full Post »

zwitserlevenomslag.jpg

Prijs: € 14,50, ISBN: 9789021141848, Meinema, Zoetermeer 2008

Bestel bij het Boekencentrum

Een zwitserleven is het ideaal voor levenslustige pensionado’s die na hun zestigste nog een leuke tijd willen hebben. Na een leven lang hard werken komt het Grote, Grijze Genieten. Reizen, eten en drinken, uitgaan, jezelf verwennen – het pensioen voor de babyboomgeneratie lijkt een hedonistisch belevenisparadijs. In een tijd waarin steeds minder mensen in de hemel geloven, wensen zij zich de eeuwige gelukzaligheid nu. Ouderen willen in hun Derde Leeftijd graag onbekommerd de kroon op hun leven zetten. Maar worden we van het zwitserlevengevoel werkelijk gelukkig?

In dit essay wordt de strijd aangebonden met het Grijze Genieten. Niet alleen is een zwitserleven voor weinigen weggelegd, het deugt ook niet als ideaal. Behalve onbetaalbaar is het ouderwets, onrealistisch, onrechtvaardig, kortzichtig en oervervelend.
Een leuke oude dag is nog niet per definitie een goede oude dag. Is alleen een mooi leven een zinvol leven (geweest)?

Een voorpublicatie verscheen in Trouw, Letter & Geest (zaterdag 1 maart): ‘Voor altijd dansen in je blootje

Oud worden is een hele klus

(interview met de auteur, De Pers 11 maart 2008, door Marcel Hulspas)

Met levensverzekeraar Zwitserleven willen veel ouderen na hun pensioen uitsluitend nog het ‘zwitserlevengevoel’ ervaren: onbezorgd niks doen, tot de dood erop volgt. Wat een onzin, zegt theoloog Frits de Lange.

‘Het zwitserlevengevoel is een typisch babyboomersideaal. Babyboomers leven in feite nog als hun ouders: eerst hard werken, dan genieten. De nieuwe oudere wordt ouder, is gezonder en rijker. Maar hij denkt nog precies over de ouderdom als vroeger: hij wil van een ‘verdiende rust’ genieten. Hij heeft niet in de gaten dat de nieuwe ouderdom wel eens heel lang kan duren en dat niets doen ongelooflijk kan gaan vervelen. Wie wil er nou dag in dag uit op een terrasje zitten of eeuwig in een all inclusive resort? Je verdwijnt naar de marge van de samenleving. De volgende generaties zal hopelijk een beter evenwicht vinden tussen werk, scholing, zorg en vrije tijd en flexibeler met pensionering omgaan. Langer in deeltijd doorwerken, actiever blijven participeren aan de samenleving. En niet voor je zwitserlevenpensioen krom gaan liggen.’

U noemt het zwitserlevengevoel vals genieten. Echt genieten is iets anders. Maakt Frits de Lange dat uit?

Laat mensen genieten waarvan ze willen! Ik wil niet de moralist uithangen. Maar de opvatting van geluk die uit het ZLG spreekt is wel heel mager. Uit psychologisch onderzoek blijkt dat mensen zich pas echt gelukkig voelen als ze gewaardeerd worden door anderen, het goed zit met hun relaties, ze zichzelf accepteren wie ze zijn, en iets gepresteerd hebben waar ze met voldoening op terugkijken. Dan pas geniet je toch echt van een terrasje?

Maar iedereen mag toch dagdromen?

Idealen hebben is gezond, maar ze moeten wel aansluiten bij de werkelijkheid. Voor veel AOW-ers is het Zwitserleven onbetaalbaar. Bovendien is oud worden een hele klus, waarbij je soms alles op alles moet zetten om het verval te slim af te zijn. Het is een nieuwe levensfase, die je actief en creatief vorm moet geven om het een beetje zinnig te maken. Ik noem het ook onrealistisch omdat veel ouderen andere idealen hebben. Ze weten beter. Ze besteden hun tijd liever aan vrijwilligerswerk of aan hun kleinkinderen.’

U noemt dat gevoel een quasi-religie. Waarom?

Onze gelovige grootouders hoopten op een hiernamaals en gingen er dus van uit dat ze eeuwig zouden leven. De gemiddelde levensverwachting was vroeger veel lager dan nu, maar voor hun gevoel leefden ze oneindig lang. Hun zwitserlevengevoel begon pas in de hemel. Hun geseculariseerde kinderen zijn dat geloof in de hemel kwijtgeraakt, maar ze maken zich zulke grote illusies over het Grijze Genieten na hun pensioen, dat ik als theoloog denk: dit is niet normaal meer, dit is religieuze projectie!’

Misschien kunnen de kerken nog iets van deze nieuwe religie leren…

Het christelijke geloofsvisioen verlangt naar ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.’ Het traditionele christendom is dat laatste vaak vergeten. Het stuurde de mensen te snel naar de hemel. De stijging van de gemiddelde levensverwachting rechtvaardigt een andere, meer aardse, militante religie waarin het leven een godsgeschenk is dat je tot op de bodem moet willen leegdrinken. Ik ervaar de toegenomen gezonde levensverwachting in onze tijd als een zegen van boven. Laten we liever langer willen leven. Doodgaan kan altijd nog. De hemel wacht wel.’

Read Full Post »

door Frits de Lange

Oud worden is niet meer wat het geweest is. Terwijl het de mensen vroeger bij uitzondering overkwam, kan men er nu bijna op rekenen. De gemiddelde levensverwachting is de laatste anderhalve eeuw verdubbeld. Niet alleen worden steeds meer mensen oud en worden de ouderen steeds ouder, ze worden ook anders oud. Ze zijn ook vitaler dan welke generatie ooit tevoren. De babyboomers van nu maken zich op voor hun tweede jeugd op de leeftijd waarop hun ouders gingen denken aan hun pensioen. Er is een complete nieuwe levensfase bij gekomen, een Derde Leeftijd, ná jeugd en volwassenheid, en vóór de onvermijdelijke aftakeling van de hoge ouderdom.

De onzekere levensloop, getekend door de grillen van het lot, met de ouderdom als uitzondering, is vervangen door een (statistisch gezien nagenoeg) zekere levensloop die om planning vraagt, met de ouderdom als regel. Kon iemand vroeger na zijn 65e doorgaans nog een korte levensavond tegemoet zien, nu treedt hij of zij een complete nieuwe levensfase in, die even lang kan duren als die van afstuderen tot pensioen.

Wat doen we echter met die tweede levenshelft, die nog nooit zo lang heeft geduurd? Waartoe dient hij en waarmee gaan we hem vullen? We worden massaal oud, maar tegelijk lijken we er minder dan ooit zin en invulling aan te kunnen geven. Hoe ziet de goede oude dag van morgen er eigenlijk uit?

In mijn boek De mythe van het voltooide leven zoek ik naar wegwijzers in het niemandsland van deze nieuwe ouderdom. Ik beperk me hier tot enkele kernpunten die voor de politieke meningsvorming over arbeid en pensionering van belang zijn.

 

1. De babyboomers en de individualisering

De nieuwe ouderen nemen hun eigen waardepatroon mee. Het onderzoeksbureau Motivaction voorspelt dat het percentage ‘traditionele burgerij’ onder de senioren ingrijpend zal afnemen. Vernieuwingsgezinde, mondige ouderen van de babyboomgeneratie nemen hun plaats in. Zij onderscheiden zich door een veel meer individualistisch georiënteerd waardepatroon.

Babyboomers zijn geen incident in de geschiedenis, maar voorboden van een nieuwe tijd. Vanaf 1970 voltrok zich een omslag in waardenoriëntaties in de richting van individuele autonomie, zelfbewustheid, assertiviteit, flexibiliteit, pragmatisme, accent op keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid (Liefbroer & Dykstra 2000, 34).

Met het – ik geef toe: meerduidige – begrip ‘individualisering’ kunnen we die omslag in één woord proberen te omschrijven. Het blijkt onmisbaar te zijn voor een adequate beschrijving van de hedendaagse maatschappelijke dynamiek (SCP 1998, 3). Individualisering is niet alleen een waarneembaar feit (verzelfstandiging), maar ook een niet minder waarneembaar ideaal (keuzevrijheid). Zij vormt de zenuw van het dominante laatmoderne waardepatroon, dat ook komende generaties ouderen zal kenmerken.

 

2. Van voorgegeven traject naar reflexief project: de postmoderne levensloop

In de dynamiek van de laatmoderne samenleving wordt het individuele ‘zelf’ als actor van zijn eigen levensloop beschouwd. Dat vereist reflexieve planning en kritische evaluatie; elk individu is zijn eigen planbureau. De postmoderne levensloop wordt een reflexief project, dat coherentie en continuïteit krijgt doordat het individu zijn leven onder controle heeft en de toekomst weet te koloniseren (Giddens 1991, 32, 202). Ieder wordt geacht de manager van zijn eigen levensloop te worden.

Daarmee wordt de collectieve chronologische organisatie (Baars 2006, 20vv.) van de levensloop ondergraven, een erfenis van de industriële cultuur van de 19e eeuw. Met vijf jaar naar school, op je achttiende aan het werk of aan de studie, op je eenentwintigste volwassen, daarna een beroepscarrière, trouwen en een gezin stichten, en op je vijfenzestigste met pensioen voor een korte levensavond. De levensloop was gerationaliseerd als voorwerp van beleid en planning. Het arbeidsproces vormt daarbij het primaire organisatiebeginsel. De mannelijke beroepscarrière staat model. Kindertijd en scholing leiden naar de beroepscarrière toe, de ouderdom ziet erop terug, maar is zelf niet meer productief; men mag dan ‘genieten van een welverdiende rust’. De ‘three boxes’ van scholing, arbeid en pensioen bepalen de loop van het moderne leven, en uiteindelijk ook de zin en betekenis ervan. De levensloop van vrouwen is daaraan volledig ondergeschikt gemaakt. De man produceert, de vrouw reproduceert.

De greep van het collectieve levensloopregiem verslapt echter meer en meer. Zolang vijfenzestig de verplichte pensioenleeftijd blijft bevinden we ons nog in een overgangstijd. Maar ook de levensloop zal steeds meer worden geïndividualiseerd. De kalenderleeftijd zal steeds minder een rol als identiteitsbepalende ‘marker’ gaan spelen. Dat wordt ook meer en meer zichtbaar in de sociale en economische wet- en regelgeving. Door deeltijdarbeid, flexibele uittreding en het variabel-worden van de pensioengerechtigde leeftijd vervaagt de band tussen persoonlijke identiteit en arbeid. Betaalde arbeid – de raison d’être voor de burgerman uit de negentiende en twintigste eeuw – is niet meer de enige vorm van zelfverwerkelijking. Een op individuele maat gesneden ‘levensloopregeling’ vervangt de collectieve verzorgingsarrangementen van weleer. De Leeftijdwet maakt sinds mei 2004 discriminatie op grond van leeftijd in het arbeidsrecht strafbaar.

3. Arbeid als zelfverwerkelijking (Het gelijk van Marx)

Achter en in deze ontwikkelingen voltrekt zich een decollectivisering van de levensloop, die ook de visie op ouderdom zal beïnvloeden. De standaardlevensloop wordt keuzebiografie. De ‘drie boxen’ van scholing, werk, pensioen (en voor vrouwen: huwelijk en gezin) zijn niet meer de norm. Scholing, werk, zorg en vrije tijd zijn niet meer afzonderlijke, opeenvolgende fasen maar levenssferen naast elkaar, waartussen men flexibel moet kunnen schwitchen. Dat vraagt soms meer van mensen dan ze aankunnen. Met name vrouwen dreigen in het ‘spitsuur’ van de levensloop te worden overbelast als tegelijk hun carrière, de zorg voor kinderen en soms ook nog de zorg voor de eigen ouders de aandacht eisen. Levensloopsregelingen zijn een bescheiden poging om in wet- en regelgeving daaraan tegemoet te komen.

Anderen worden echter niet zozeer overvraagd dan wel onderbenut. Het debat over de kosten van de vergrijzing brengt de pensioengrens in het geding. Het is maatschappelijk niet langer verantwoord, is de groeiende overtuiging, dat zij zo vroeg, laat staan vervroegd (eerder dan vijfenzestig) uit het arbeidsproces treden. Het debat dreigt echter versmald te worden tot zijn financiële en economische aspecten, en het lijkt alsof van ouderen alleen maar iets te worden gevraagd wat ze eigenlijk niet willen: meebetalen door door te werken.

Dat is een misvatting. Niet alleen meer mensen worden oud, maar ze worden vooral anders oud. De ouderen van straks zullen gewoon zijn te ‘leven in de breedte’, en arbeid zal een levenssfeer blijven naast andere. Ze zullen scholing, arbeid en vrije tijd in een andere mix combineren dan toen ze jong waren, maar ze zullen ze als basisingrediënten in hun levensstijl willen houden zolang het kan. De gerontoloog Mathilda Riley noemt dat de overgang van een leeftijdgedifferentieerde naar een leeftijdgeïntegreerde levensloop en heeft dat in een schema als volgt weergegeven:

riley_schema.jpg

Figuur 9. Leeftijdsdifferentiatie en leeftijdsintegratie (Riley e.a. 1994; vgl. Baars 2006, 59)

 

4. Scholing, werk en vrije tijd vormen geen fasen meer, maar sferen.

Zijn we er als samenleving klaar voor? Riley wijst op de achterstand (structural lag) die we daarin nog hebben. De nieuwe levensloop wordt nog niet goed gefaciliteerd. Zowel op ‘het spitsuur’ als ‘na de middag’ zijn we er onvoldoende voor toegerust.

Het meest flagrant wordt dat zichtbaar in het onvermogen om ouderen voor het arbeidsproces te behouden. Gebrek aan inzicht in en waardering (ook economisch) voor de competenties van seniorwerknemers is daar mede debet aan. Maar ook de betekenis die arbeid kan hebben voor het zelfbeeld van ouderen wordt daarbij onvoldoende ingeschat.

Toewijding aan (onbetaalde of betaalde) arbeid is een vorm van zelfverwerkelijking, willen we stellen. Karl Marx, de eerste die daarop heeft gewezen, verdient een rehabilitatie. Werk verrichten draagt bij aan goed oud worden. Er is geen enkele reden om daaraan een leeftijdsgrens te verbinden. Zelfverwerkelijking is een levenslang proces en een mens zal er mee bezig zijn tot zijn of haar laatste ademtocht. Arbeid (verstaan als: elke inspanning die verricht wordt met maatschappelijk nut) is een vorm van zelfverwerkelijking die een belangrijke bijdrage kan leveren aan het nieuwe ouder-worden, als straks de vaste en vroege pensionering is losgelaten.

Naast de evidente functie van inkomensverwerving op basis van inspanning, staan min of meer verborgen, maar niet minder wezenlijke functies van arbeid: arbeid structureert het dagelijkse bestaan, biedt mogelijkheden om sociale contacten op te bouwen en status te verwerven, stelt mensen in staat om een bijdrage te leveren aan het geheel van de samenleving en draagt bij aan hun zelfverwerkelijking (Jahoda 1982). Werken houdt mensen gezonder, biedt hun sociale waardering en verleent zin aan hun leven.

In een leeftijdsgeïntegreerde levensloop zal arbeid niet meer geconcentreerd worden in een afzonderlijke fase (de life time employment van veertig jaar veertig uur per week). Arbeid zal een integraal onderdeel van het bestaan moeten worden, naast andere levenssferen, en de zorg om life time employability een constante in de gehele levensloop. De volkswijsheid ‘Don’t put all your eggs in one basket’ zal leidraad moeten worden in de levensloopopbouw, zodat ouderen hun pensionering niet meer ervaren als een ‘guillotine-pensioen’, met daarna het Grote Niets. Nu wordt vaak een korte hevige periode van Overbelasting gevolgd door een lange periode van Onderbenutting (Ministerie van SZW, 2002, 23). Levenslang werken, levenslang leren, levenslang zorgen, levenslang genieten zal daarentegen het motto kunnen worden. Iets van het visioen van de jonge Marx in De Duitse Ideologie zou dan misschien werkelijkheid kunnen worden, namelijk dat we niet een leven lang tot één exclusieve activiteit veroordeeld zullen zijn omdat we anders de middelen van bestaan verliezen, maar de mogelijkheid hebben om ‘vandaag dit en morgen dat te doen, ’s ochtends te jagen, ’s middags te vissen, ’s avonds veeteelt te bedrijven en na het eten de kritiek te beoefenen, al naar gelang ik verkies, zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden.’

5. Herverdeling van arbeidsduur

Hoe lang en hoeveel zullen mensen gedurende hun tweede levenshelft kunnen blijven werken? We moeten daar reëel in zijn. De arbeidsduur zal, om te beginnen, beter herverdeeld moeten worden over de levensloop. De marathon van de lange levensloop vraagt om een stayers-, niet om de sprintersmentaliteit van de Monsterboard-generatie. Als de arbeidsduur teruggebracht zou worden tot zo’n dertig uur per week, zal iemand per saldo gedurende zijn levensloop nog evenveel bijdragen aan de arbeidsmarkt als nu, maar dan uitgesmeerd over een veel langere periode. In combinatie met een zogenaamde transitionele arbeidsmarkt, waarbij door middel van sabbaticals, zorgverlof, flexibele en geleidelijke pensionering en flexibele werktijdenregelingen zorg kan worden gedragen voor life time employability, zal arbeid een integraal onderdeel kunnen blijven uitmaken van de ouderdom (Muffels 2001, 121). Dan hoeven mensen niet uitgeblust en versleten te zijn als ze vijfenzestig zijn.

In de tweede plaats zal het karakter van de arbeid moeten worden aangepast aan de persoonlijke situatie van ouderen. In de postindustriële informatie- en kennissamenleving is de beroepen- en functiestructuur al sterk van inhoud en karakter veranderd. Het aantal hoogopgeleiden is toegenomen en de werkgelegenheidsgroei is geconcentreerd in de hogere beroepen en functies. Het aandeel van administratieve beroepen dijde uit van 31% in 1973 tot 44% van de totale beroepsbevolking in 1998; hun absolute aantal werd meer dan verdubbeld, van 1,4 miljoen naar 3,1 miljoen (De Beer 2001, 335).

Een groot deel van de seniores hoeft dus geen zwaar lichamelijk vuil werk meer te doen (de achtergrond van de huidige pensioenconstructies) en zou ook op oudere leeftijd kunnen blijven werken, als er ook dan maar meer in hun opleiding en scholing geïnvesteerd zou worden en de werkdruk verminderd. Presteren oudere werknemers minder? Het blijkt een hardnekkig vooroordeel. ‘Het verband tussen leeftijd en productiviteit (wordt) veel meer dan door leeftijd an sich bepaald door de mate waarin de organisatie via opleiding en trainingsinspanningen investeert in het menselijk kapitaal van de oudere werknemer’ (Muffels 2001, 90, resp. 117).

Niet alle werk is natuurlijk geschikt om op latere leeftijd gedaan te worden. ‘Vuil werk, werk met stank en lawaai en werk dat weinig ontplooiingsmogelijkheden biedt, komen nog ongeveer even vaak voor als twintig jaar geleden,’ becijfert het SCP (De Beer 2001, 301). Ouderen kunnen niet worden veroordeeld tot het verrichten van fysiek of mentaal slopende arbeid. Voor sommigen is arbeid geen zelfverwerkelijking, maar noodzakelijk kwaad. Willen we toe naar een transitionele arbeidsmarkt in een geïndividualiseerde samenleving, dan wordt een flexibel systeem van pensionering vereist, waarbij sommigen in staat worden gesteld eerder, anderen later uit het – betaalde – arbeidsproces te treden.

 

 

Literatuur

Baars, Jan (2006). Het nieuwe ouder worden. Paradoxen en perspectieven van leven in de tijd. Amsterdam: Humanistic University Press.

Beer, P.T. de (2001). Over werken in de postindustriële samenleving. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Giddens, Anthony (1991). Modernity and Self-Identity. Self and Society in the Late Modern Age. Cambridge: Polity Press

Jahoda, M. (1982). Employment and Unemployment. A Social-Psychological Analysis. Cambridge: University Press.

Liefbroer, A.C., Dykstra, Pearl A. (2000). Levenslopen in Verandering. Een studie naar ontwikkelingen in de levenslopen van Nederlanders geboren tussen 1900 en 1970. Den Haag: SdU Uitgevers.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2002). Verkenning Levensloop. Beleidsopties voor leren, werken, zorgen en wonen. Den Haag: SZW.

Muffels, Ruud (2001). Tussen mythe en werkelijkheid. Leeftijd in sociaal-economisch perspectief. In Y. Quispel, L. Christ (red.), Ouder worden: een kwestie van leeftijd? Theorieën over leeftijd, in relatie tot veroudering, levensfasen en levensloop. Utrecht: LBL, 111-124.

Riley, M.W. , Kahn, R.L., Foner, A. (eds.). Age and Structural Lag. Society’s Failure to Provide Meaningful Opportunities in Work, Family and Leisure. New York: Wiley 1994.

Sociaal en Cultureel Planbureau (1998). Sociaal en Cultureel Rapport 1998. 25 jaar sociale verandering. Rijswijk-Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau-Elsevier.

 

Gepubliceerd in: IDEE (tijdschrift van het Kenniscentrum D66), jaargang 28, nummer 4, september 2007, 11 – 16. Ook te lezen op de site van D66.

 

 

Read Full Post »

In hun focus op de vitale Derde Leeftijd proberen beleidsmakers en visieontwikkelaars de last van het ouder worden zoveel mogelijk op conto van de vierde levensfase te schuiven. Dan pas takelen we af en gaan we dood, en het liefst snel een beetje. Maar die laatste fase kan heel lang duren en moeilijk zijn. 
We dreigen door de fixatie op de vitale oudere met de rug naar de Vierde Leeftijd te gaan staan. Daardoor 

1. ondermijnen we de maatschappelijke solidariteit met de meest kwetsbare ouderen en zetten niet meer alles op alles voor een kwalitatief hoogwaardige verpleeghuiszorg; 2. houden we een blinde vlek voor de fundamentele levensvragen over dood, lijden en eindigheid, die we alsmaar voor ons uitschuiven. 
3. Scheppen we een maatschappelijk klimaat dat ouderen aanzet tot (een verzoek om hulp bij) zelfdoding, zodra het lichamelijke en/of mentale verval zich aandient. Zij zijn ‘klaar met leven’ . 

Of overdrijf ik?

Read Full Post »