Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juni, 2008

 

Dick Sipsma, Van oude mensen...

Dick Sipsma, Van oude mensen...

Dick Sipsma, Van oude mensen, de dingen die gaan komen, Cossee Essay, Uitgeverij Cossee BV, Amsterdam 2008

 

Met Van oude mensen, de dingen die gaan komen, heeft Dick Sipsma een aanstekelijk optimistisch boekje geschreven over de toekomst van het ouder worden. Sipsma, medicus en als arts en hoogleraar een lange staat van dienst in de gerontologie en geriatrie, stoort zich met dit essay niet aan vak- en disciplinegrenzen. Met de joyeuze vrijheid van geest de gevorderde leeftijd eigen, schetst hij een beeld van de oude dag van morgen die in niets meer op die van vandaag lijkt.  Met vooroordelen tegen ouderen maakt hij korte metten: het gaat hier meestal om kwalijke en gedachteloze staaltjes van leeftijdsdiscriminatie,  die bij de huidige stand van de wetenschap geen enkele grond meer in de werkelijkheid hebben. Integendeel, bij het huidige tempo van voortschrijden van de techniek (of het nu het sleutelen aan de genen of de domotica betreft) is het nog slechts een kwestie van tijd, of we hebben de gemiddelde levensverwachting tot aartsvaderlijke proporties weten op te krikken. Daarbij zullen we voorgoed afscheid kunnen nemen van het beeld van het kwakkelende oudje: we zullen tot op hoge leeftijd gezond kunnen blijven en dan snel en pijnloos aan comorbiditeit sterven. 

Sipsma is utopist, en schaamt zich er niet voor.  Voor hem lopen werkelijkheid en toekomstdroom soms naadloos in elkaar over, als we er met zijn allen maar voor gáán.  Al gaat hij in zijn bespiegeling wijde cultuurfilosofische vergezichten niet uit de weg; hij blijft daarin wel de medicus, die zich op feiten wil baseren.  Een vooruitgangsgelovige van de oude stempel, die heilig gelooft in de macht van de ratio. Wie ouderdom alleen als aftakeling ziet gebruikt zijn verstand niet! Hij laat zich ringeloren door een gerontologisch deficit-model! Oud worden als (ader) ‘verkalking’, of als mechanische ‘slijtage’ – het zijn ideologische beelden die er feitelijk volstrekt naast zitten. Oud worden is, aldus een recent gerontologisch model dat dichter bij de werkelijkheid staat,  hoogstens te omschrijven als een proces van toenemende kwetsbaarheid, frailty.  Dat kan de ouderdom net zo goed vergallen. Maar aan slijtage is niets te doen, aan kwetsbaarheid wel – dat is het verschil, zegt Sipsma. 

Als we maar kijken met de ogen van de wetenschap, raken we volgens hem allerlei vormen van ‘ageïsme’ vanzelf kwijt, Neem het vooroordeel dat als je maar oud genoeg wordt, je vanzelf ‘kinds’ of ‘seniel’ wordt. Zo werd dat in de vorige eeuw nog genoemd. Nu weten we dat dementie een ziekte is, en niet iedereen dement wordt. Ziektes kun je bovendien behandelen en – in de toekomst hopelijk – genezen.

Dat we met zoveel tegelijk nu steeds ouder worden, is ook geen ramp, maar een zegen, aldus de tegendraadse Sipsma. De vergrijzing is geen demografisch ongelukje in de evolutie, maar een blijvertje. Sterker nog: het is een historische noodzaak. We móeten wel ouder worden, nu de menselijke cultuur zo complex wordt dat mensen een lang leven nodig hebben om al die kennis aan te sturen en over te dragen. Dat we ouder worden vloeit noodzakelijk voort uit de evolutie van de menselijke cultuur.

Voor een evenwichtige samenleving hebben we de wijsheid van de nieuwe oudere (door Sipsma de ‘novogeront’ gedoopt) hard nodig. Takelen dan ouderen ook cognitief niet af? Zullen ze het niet afleggen tegen de flexibiliteit van de jongeren, waar onze dynamische kenniscultuur in zijn lofzang op de jeugd om vraagt?  Ook dit vooroordeel kan Sipsma met wetenschap ontkrachten. Met bijv. Elkhohon Goldberg (De wijsheidsparadox) kan hij zeggen dat jongeren innovatiever zijn dan ouderen, meer uithoudingsvermogen hebben en meer kunnen ‘multitasken’, maar dat ouderen op hun beurt een groeiend vermogen hebben tot patroonherkenning. Zij weten snel en vaak feilloos  inzicht te hebben in waar het in complexe situaties om gaat en in welke richting de oplossing ligt (32v.). Als we inzien dat ze beide elkaar nodig hebben, zal er een vitale samenleving ontstaan die warmer, socialer, rustiger is dan die we nu kennen.

Wie medisch zo vrolijk gestemd is over de nieuwe oudere als Sipsma, stemt er ook niet mee in dat hij maatschappelijk na veertig jaren trouwe dienst wordt afgeserveerd. Met pensioen gaan kan altijd nog, zegt Sipsma, die zelf ook van geen wijken weten wil. De driefasen structuur van scholing, werk en pensioen  is dan ook te beschouwen als een erfenis uit de 19e eeuw. Hij zal  vervangen worden door een samenleving waarin we levenslang leren, recreëren en werken, en dat allemaal naast en niet meer na elkaar (Sipsma volgt hier Mathilda Riley, overigens zonder haar te noemen).

Heerlijk, zo’n toekomstvisie, die even een andere toon aanslaat dan de gerontofobische doemscenario’s, die de discussies over de betaalbaarheid van de AOW en de chronische tekorten aan mensen en geld in de ouderenzorg aanjagen.  We kunnen deze utopie in die debatten goed gebruiken. 

Maar hoe reëel is hij uiteindelijk?

Met zijn vooruitgangsgeloof blijft Sipsma toch een typische 19e eeuwse sciëntist, die veel, zo niet alles verwacht van wetenschap en techniek. Waar die open plekken laten, vult hij ze met het evolutionairtheoretisch paradigma.  Zo veegt hij aan het eind van zijn beschouwing de vloer aan met de hypothese van een ‘intelligent design’ en ‘de god van (Cees) Dekker’. Maar lijkt hij zelf welhaast met even grote religieuze bevlogenheid te geloven in de weldaden van de verzilverde samenleving, die ons door de genetische versleuteling van ons genoom (‘wat ethici en antitranshumanisten ook zullen zeggen’, 87) ten deel zullen  vallen.  Aanstekelijk optimisme is prima, denk ik bij het slot van het boekje, als het betoog wat uit de rails gaat lopen, maar een tikkeltje minder toekomstgelovig mag ook. 

Advertenties

Read Full Post »