Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for augustus, 2007

marcoen_schaduwen1.jpg

Alfons Marcoen, Ria Grommen & Nancy van Ranst (Red.), Als de schaduwen langer worden. Psychologische perspectieven op het ouder worden en oud zijn, Uitgeverij Lannoo nv, 2006.

Wie aan deze 400 bladzijden Vlaamse gerontologie begint, weet niet of hij een bijbel of een encyclopedie voor zich heeft. Is het een leerboek waarin auteurs (stuk voor stuk vakspecialisten) hun vakgebied presenteren en de laatste stand van hun onderzoek, of is het een boek met een boodschap? Beide, zo blijkt. En dat komt door het stempel dat de meester, Alfons Marcoen, emeritus hoogleraar psychogerontologie aan de KU Leuven, er op gezet heeft.

Een precies wetenschapper, die de oudere mens niettemin in onverholen normatief perspectief beziet. Twee uitgangspunten zijn voor hem daarbij leidend. In de eerste plaats de existentieel-antropologische visie dat mensen ‘competente zinzoekers’ zijn. Mens-zijn is een gegevenheid èn een opgave. Mensen zijn in hun leven aangelegd op zelfverwerkelijking en streven naar levensvervulling. Zij zijn door hun handelen in staat richting te geven aan hun eigen ontwikkeling, in staat tot bewuste zelfbepaling, en hebben een zekere bekwaamheid tot zelfbesturing. Marcoen bedrijft zijn vak vanuit een existentieel perspectief, in de traditie van Viktor E. Frankl, die vanuit het besef dat de mens primair zinzoeker is, zijn ‘logotherapie’ ontwikkelde. Als je weet waarvoor (d.w.z. waar naar toe) je leeft en je hebt de moed er uit te leven, heeft je leven zin, wat je ook meemaakt, ontdekte Frankl, die ooit Auschwitz overleefde.

Marcoen maakt ‘Frankl’ vervolgens a.h.w. geschikt voor de gerontologie, door diens basisintuïtie te combineren met zijn tweede normatieve uitgangspunt, dat hij ontleent aan de Berlijnse gerontoloog Paul Baltes: leven is tot de laatste snik een ontwikkelingsgang en leerproces; ouder worden moet dus als een ontwikkelingstaak worden beschouwd. Zelfs de neergang en aftakeling (die er op fysiek en cognitief gebied onmiskenbaar ook zijn – Paul Verhaegen schetst daarvan in zijn hoofdstuk een ‘eerder grimmig beeld’, 83), worden in dit perspectief geïnterpreteerd als ‘ontwikkelingsfactoren’. Van wat er gebeurt (de beschrijving), wordt niet alleen een verklaring gezocht, maar moet ook op zijn waarde en betekenis worden geschat en van een interpretatie worden voorzien. De empirie kan niet de hermeneutiek, sterker, is erin gefundeerd. ‘Het hermeneutisch aspect is niet slechts een complement maar eerder het dragende fundament van het empirisch-analytisch onderzoek.’ (61)

Marcoen kiest voor een levensloopperspectief, in het ontwikkelingspsychologische spoor van Baltes. Acht uitgangspunten zijn daarbij leidend.
1. ouder worden is een levenslang ontogenetische ontwikkeling, gekenmerkt door:
2. veranderingen in dynamiek biologie – cultuur, waarbij de cultuur steeds meer het groeiende tekort van de biologie moet opvangen.
3. In dat proces worden drie ontwikkelingsfuncties ingezet: groei, en als dat niet meer kan: behoud en herstel en als dat niet meer kan: verliesregulatie.
4. Ouder worden is dus een voortdurende aanpassingsstrategie gekenmerkt door:
5. de dynamiek van winst en verlies, waarbij ouderen niet alleen aan de verlieskant staan en jongeren altijd winnen.
6. Er is daarbij sprake van grote intra-individuele plasticiteit (elk mens wordt anders ouder, en hoe men oud wordt heeft wortels in voorafgaande levensfasen.)
7. binnen een veranderende historisch-culturele context
8. waarbij globaal drie strategische middelen worden ingezet in een effectieve onderlinge coördinatie: Selectie (van doelen), Optimalisatie (in de manier waarop de doelen worden nagestreefd) en Compensatie (als de doelen niet gehaald kunnen worden)

In de drie gerontologische visies die Marcoen onderscheidt (het deficitmodel: ouder worden is aftakelen), het rust-roestmodel (‘if you don’t use it, you lose it’) en het competentiemodel kiest hij daarmee voor het laatste. Succesvol ouder worden is een ontwikkeling waarbij mensen zelf actief (Marcoen zegt liever: constructief) betrokken zijn.
Binnen dat omvattende existentieel-hermeneutisch kader worden in verschillende hoofdstukken zo’n beetje alle facetten van het ouder worden gepresenteerd. Niet alleen de psychologie komt aan bod, maar ook de biologische en cognitieve veroudering (wie geen ‘competente zinzoeker’ is, zal niet vrolijk worden van het daar geschetste beeld!). Een heel deel is ook gewijd aan de ‘nabije relatiekring’ van ouderen, waarin deskundige auteurs ingaan op zaken als intimiteit, familierelaties, vriendschap en eenzaamheid.
In de laatste twee delen van het boek (‘Optimaal ouder worden’ en ‘Tussen pijn en vervulling’) zet Marcoen zelf echter weer een zwaarder accent.

Wat me daarbij opviel was dat bij zoveel accent op zingeving (‘Optimaal ouder worden en oud zijn vandaag is in de eerste plaats zin zoeken’, lezen we op p. 381) de aandacht voor het levensverhaal beperkt en beheerst blijft. Marcoen beschouwt de soms trendy nagevolgde ‘narrative turn’ niet als een totale omwenteling. Het tot zinvolle eenheid brengen van een biografie veronderstelt actieve ‘autobiografische exploratie’, zeker, maar zingeving gaat niet op in het verhalen vertellen. Het accent ligt bij Marcoen veeleer op het niveau eronder, dat van de levensthema’s (Thomae, 191) (of in andere termen: personal concerns (McAdams), personal action constructs (Hooker), persoonlijke projecten (Little), levenstaken (Cantor), persoonlijke strevingen (Emmons), possible selves (Markus/Nurius, vgl. ook 223) en de levenstechnieken. Een levensthema is ‘wat het traject tussen een bepaalde begintoestand naar een bepaalde eindtoestand in het leven van iemand inhoudelijk duidt en synthetiseert.’ (191) Het is dat waar iemand op een bepaald moment echt ‘mee bezig is.’ Thema’s hebben een temporele dimensie. Ook als ze tijdelijk zijn (het verwerken van verlies, het voorbereiden op een verhuizing) vragen ze erom om tenslotte wel geïntegreerd te worden in een levensverhaal, maar ze onderscheiden zich er wel van.
Een narratieve benadering heeft de neiging om de aandacht te exlusief te concentreren op de ultieme zinhorizon van mensen. Maar in het zinpanorama van ouderen wordt er niet altijd even breed en ver gekeken. Zingeving is – Viktor Frankl benadrukt het keer op keer – vaak concreet dagelijks en doordeweeks handwerk, en niet iets alleen voor de ‘zondag’. Ook zingeving heeft een temporele dimensie. ‘What matters is not the meaning of life in general but rather the specific meaning of a person’s life at a given moment. (…) Everyone has his own specific vocation or mission in life to carry out a concrete assignment which demands fulfillment.’ Je vraagt toch ook niet aan een schaakkampioen: ‘Grootmeester wat is de beste zet van de wereld?’ Dat hangt immers van het spel en je tegenstander af. Beantwoording van de zinvraag is een geheel van kort- en langlopende, van concrete en meer abstracte opdrachten die je door het leven zelf worden gesteld. (Frankl, Man’s Searching for Meaning, 131) Soms zijn mensen druk met het schrijven van de volgende regel in hun levensverhaal, en is de hoofdstukkenindeling helemaal niet aan de orde.

Marcoen stelt daarom (in lijn met Havighurst, 1953) het concept ‘ontwikkelingstaken’ in de ouderdom centraal (312v.). Hij ontwikkelt een taxonomie van ontwikkelingstaken en gaat in op de effectieve ‘levenstechnieken’ (Thomae) waarmee ouderen proberen aan hun levensthema’s te werken. Uitvoerig gaat hij in op de breedte en diepte van de zingevingsarbeid van ouderen.
In de ontwikkelingstaken onderscheidt hij

  • vijf niveaus: Taken m.b.t. de hele levensloop (gezondheid, moraliteit); een bepaalde levensperiode (bv. huwelijk); anticipeerbare processen (beginnen met werken, pensioen, lege nest); kortere duidelijke gedefinieerde episodes (een cursus volgen, verhuizen naar instelling), korte regelmatig voorkomende episodes (bv. vakantieplannen)
  • en acht domeinen: (1. gezondheid, 2. wonen, 3. huwelijk,gezin en familie, 4. beroep en vrije tijd, 5. sociaal en politiek, 6. persoonlijkheidsontwikkeling, 7. de tijd, 8. het bestaan. (306v.))

De ontwikkelingstaken zijn dynamisch op elkaar betrokken en ook niet altijd allemaal even belangrijk. Mensen leggen individueel een hiërarchie aan, die ook niet voor iedereen even veel ‘dieptelagen’ kent. Voor spiritualiteit (Marcoen gaat er uitvoerig op in; de ‘gecultiveerde band met de grond van het bestaan’ is gezien het zingevingsdeficit in onze cultuur en het dichtslibben van de lijn naar de religieuze tradities van toenemend belang) heeft niet iedereen een antenne.
Oud worden is, in de optiek van Marcoen, dus hard werken. Mensen staan voor de opgave om zichzelf voortdurend opnieuw te definiëren. Aanpassing van levensstructuur (het soort leven dat men geeft) en identiteit (wie men is) ‘is een omvattende ontwikkelingstaak die iedere ouder moet vervullen.’ En dat maakt ouder worden ‘tot een persoonlijke prestatie’. ‘Er valt van het ouder worden iets te maken. Door, ondanks vaak niet te keren veranderingen op lichamelijk en sociaal gebied, toch iets goed te maken van ons leven, overstijgen (transcenderen) we het zonder meer oud worden.’ (296)
In de beschrijving en analyse van hoe mensen dat doen, blijkt Baltes een belangrijke, nuchtere en scherp ziende gids. Groei en aftakeling zijn in zijn visie elkaars keerzijde. Al is uiteindelijk het verlies onafwendbaar, ook vanaf het begin van het leven is er verlies, ook aan het eind is er winst te behalen.

Vanaf het begin van ons leven investeren we al onze energie en hulpbronnen waarover we beschikken in het bereiken van drie uitkomsten of doelen: groei, behoud en herstel, en verliesregulatie. (299) Processen die op alle leeftijden kunnen voorkomen. Marcoen: ‘Door het beklemtonen van de levenslange dynamiek van winst en verlies en de identificatie van de drie processen van hulpmiddelenallocatie (groei versus behoud versus verliesregulatie) slaagt Baltus er in de psychologie van de ontwikkeling en van het ouder worden op één noemer te brengen.’ (300)
Succesvol ouder worden is in Baltes’ theorie een zaak van succesvolle ontwikkeling (303vv.) met inzet van a. de drie genoemde ontwikkelingsfuncties (groei, behoud/herstel, verliesregulatie) en b. de levensmanagementstrategieën van selectie, optimalisatie en compensatie. Daarbij wordt gestreefd naar:

1. maximalisering van de winst en minimalisering van het verlies aan adaptatievermogen.

2. Die optimale verhouding tussen winst en verlies kan alleen bereikt worden door steeds meer cultuur in te zetten om het verlies in de biologie te compenseren.

3. het bereiken van waardevolle doelen (nieuwe, soms eenvoudiger dan de oude)

4. behoud van de lichamelijk en mentale functionele status en zo mogelijk daarin nog winst maken (het geloof in de eigen interne ‘locus of control’ is daarbij van groot belang)

5. herstel van verlies in belangrijke levensdomeinen, d.m.v. assimilatieve technieken.

6. slagen in verliesverwerking en verliesregulatie (onbereikbare doelen loslaten, maatstaven aanpassen).

In het verlengde hiervan ligt Marcoen’s eigen voorstel om te spreken van ‘constructief ouder worden’. Hij beklemtoont daarbij de bijdrage van de oudere zelf, die op actieve wijze zelf mede vorm aan zijn/haar leven geeft. Ouder worden is een opgave die 1. ervaring en inzicht; 2. een goede wil; en 3. een draagkrachtige en ondersteunende omgeving vereist.
In de twee klassieke tradities in het meetbaar maken van welzijn, welbevinden, geluk etc.(de eudemonistische en de hedonistische), staat Marcoen daarmee duidelijk in de eerste traditie.
Dat ouderen erin slagen om ondanks gezondheidsproblemen toch een vrij hoge mate van welbevinden te bewaren, is te danken aan hun mentale veerkracht (‘spirit’) om met tegenslagen constructief om te gaan. Ze zetten dan actief een drietal levenstechnieken in om zich door verlieservaringen heen te slaan:

1. assimilatie (m.b.v. compensatorische technieken proberen de discrepantie tussen doelen en zelfprestatie ongedaan te maken; trainen bv.), en als dat niet meer lukt:

2. accommodatie (onbereikbare doelen loslaten of door bereikbare vervangen) en

3. immunisering (het zich onkwetsbaar maken voor de discrepantie, door bv. in de zelfdefinitie steeds meer op het verleden te steunen). (352vv.)

De technieken lijken zo beschreven op naar believen inzetbare instrumenten. Maar alleen wie de existentiële moed vat om ze in te zetten bij zijn zoektocht naar zin zal er baat bij vinden en beter oud worden. Uiteindelijk komt het bij ‘constructief oud worden’ aan op wat mensen drijft en bezielt.

Een paar mooie bladzijden over spiritualiteit (gedefinieerd als: ‘de geest die iemands leven bezielt’, 401) en de hoge ouderdom sluiten het boek af.

Een boek met een schat aan kennis en informatie, maar ook een wijs en inspirerend boek. Een gerontologische encyclopedie en bijbel tegelijk.

Advertenties

Read Full Post »

agein_society_klein.jpg

Ageing in Society (3rd Ed.) Editors: John Bond, Sheila Peace, Freya Dittmann-Kohli & Gerben Westerhof, Sage Publications, 2007

Het gaat om de derde, volledig herziene versie van een klassiek handboek, waarin nadrukkelijk geprobeerd wordt een Europees perspectief in te nemen. Een keur van gerontologen werkt er aan mee. Tussen een introducerende bestandsopname van wat oud worden vandaag, europees en globaal gezien, betekent en een slothoofdstuk waarin de uitdagingen van de toekomst van de ouderdom centraal staan, passeert een schat aan informatie, vaak zo gedrongen en gecondenseerd gepresenteerd dat achter elke zin weer tien andere perspectieven opdoemen.

De aftrap is voor de biologen. Rudi Westendorp en Thomas B.L. Kirkwood (de man van de disposable soma theorie) geven een adembenemende overzicht van ouder worden in evolutie-theoretisch perspectief. Hoopvolle kern: voor oud worden is er geen genetisch programma, dus hoe de ouderdom er in de toekomst uit zal zien ligt niet vast. Minder vrolijke boodschap: we zullen wellicht langer leven, maar daarvan meer jaren in slechtere gezondheid doorbrengen.

De hand van Alfons Marcoen is te herkennen in het volgende hoofdstuk over Psychological Aging, met ook verhelderende paragrafen over methodologie (over onderzoekstechnieken schrijven Victor, Westerhof en Bond een afzonderlijk gedegen hoofdstuk). Het lijkt wel alsof zijn Nederlandse handboek (‘Als de Schaduwen langer worden…’) in gecondenseerde vorm is herschreven.

Nadat zo een gedegen ‘antropologisch vloertje’ is gelegd, komen uitvoerig de sociale gerontologen aan het woord. Chris Philipson en Jan Baars laten vanuit hun ‘kritisch- gerontologisch’ gezichtspunt zien hoe oud worden (en de theorieën daarover) sociale constructies zijn en inzet van politieke strategieën, en dat globaliseringsprocessen nieuwe sociale ongelijkheden in de positie van ouderen zullen scheppen (een gegeven dat ook in het slothoofdstuk terugkomt).

Er volgen vergelijkende studies over wet- en regelgeving en sociaal-politiek beleid in verschillende Europese landen, over gezondheid en afhankelijkheid (Bond, Rodriguez Cabrero; met opnieuw het paradoxale gegeven dat ouderen met – een ‘objectief’ gezien – slechte gezondheid zichzelf subjectief veel gezonder inschatten, maar dat, als ze dat eenmaal doen, wel weer langer leven dan de hypochonder), sociale zekerheid (Gerhard Naegele, Alan Walker) en arbeid en pensioen (Harald Künemund en Franz Kolland), waaruit blijkt dat er van ‘Unie’ in de EU nog weinig sprake is: zorg is Angelsaksisch (medische zorg publiek, sociale zorg privaat), continentaal (mix privé-publiek), ‘noords’ (alles publiek) of mediterraan (nog steeds vooral privaat) georganiseerd, hoewel er overal nu wel de tendens is tot selectieve privatisering); sociale zekerheid sociaal-democratisch (Scandinavië), liberaal (UK), corporatistisch-conservatief (de meeste andere Europese landen, aan inkomen gekoppeld) en basaal (Griekenland, Portugal, Spanje); maar ook daar de gedeelde Europese tendens tot privatisering van de pensioenen en verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd.

Vervolgens komen bijdragen over persoonlijke relaties en ouderen (waarin mèt de post-moderne individualisering ook de terugkeer van de – weliswaar nu verticale – extended family wordt gesignaleerd), en twee bijdragen vanuit een ecologisch (over de wisselwerking tussen omgeving en de ouder wordende mens) en een sociaal-constructionistisch paradigma (over de culturele constructie van identiteiten van ouderen).

Ralph Krampe en Lynn McInnes schrijven over cognitieve compententie (een bijdrage die m.i. wel eerder in het boek had gekund), waarop een hoofdstuk van Freya Dittmann-Kohl en Daniela Jopp over self-management volgt, waarin geprobeerd wordt om drie oorspronkelijk beschrijvende coping-theorieën (Brandstädter’s model van accommodatie en assimilatie; Baltes’model van selectie, optimalisatie en compensatie en Heckhausen’s theorie van adaptatie d.m.v. verschuiving van primaire naar secundaire controle) therapeutisch aan te bieden aan de Derde Leeftijder, om er zijn of haar voordeel mee te kunnen doen.

In de toekomstverkenning tenslotte komen inzichten eerder in het boek ontwikkeld weer terug. Als ouderen alsmaar met meer komen en alsmaar ouder worden, wie zorgt er dan voor hun sociale zekerheid, wie zal hen verzorgen als het moet? We zullen – en kunnen ook – anders over arbeid moeten gaan denken. Ageism zal moeten verdwijnen. En als families minder stabiel en hecht worden, zullen vriendschappen een belangrijkere rol gaan spelen. Postmodern oud worden betekent echter ook dat het oud worden in de 21e eeuw niet over mensen heen komt als een regenbui, maar dat ze zelf de hand zullen hebben in de constructie van hun nieuwe identiteit.

 

 

Read Full Post »

dohmen.jpgJoep Dohmen, Tegen de onverschilligheid. Pleidooi voor een moderne levenskunst. Amsterdam: Ambo 2007.

Wat Dohmen wil met zijn ethiek van de levenskunst is misschien het beste te begrijpen als men haar situeert in het veld van de discussie over (neo)liberalisme vs. communitarisme. Het liberalisme individualiseert ons radicaal, maar is verder helemaal niet geïnteresseerd in de vraag of wij de vrijheid wel kunnen dragen. De markt reduceert ons tenslotte tot consumenten. Moeten we dan van de weeromstuit vluchten in het communitarisme, en ons koesteren in gemeenschappen en tradities? Neen, zegt Dohmen – en ik val hem van harte bij – we moeten de negatieve vrijheid van het neoliberalisme vullen met een krachtig verstaan van positieve vrijheid. ‘Het individualisme moet vanuit een ander individualisme worden gecorrigeerd.’ (200) Het liberalisme heeft te weinig oog voor de kwestie van de geestelijke weerbaarheid van het individu. Dat een mens weer weet waarvoor hij leeft en het eigen leven authentiek (176!) en weerbaar ter hand neemt! Levenskunst is uit op empowerment. (128v.) (133)

Dohmen zet een lijn in de klassieke filosofie door die – zo Hadot – als inzet had: ‘Het geestelijk weerbaar maken van de kwetsbare mens onderweg in zijn bestaan.’ (143) Het komt erop aan de uniciteit van het individu in ere te houden, maar ondertussen de kortzichtige liberale moraal van zelfbeschikking te corrigeren. Het leven is tragisch, we kunnen worden gekwetst en verlaten. Wat we kunnen en moeten: daarin een innerlijke orde zoeken, en een zekere gemoedsrust en vitaliteit bewaren. (201)

Levenskunstethiek is een ethiek van zelfzorg. Het draait er om zelfsturing met het oog op het goede leven. Dan moet men niet vies zijn van krachtig moraliseren. Dohmen is onverholen normatief in zijn oordeel: ‘het moet ergens over gaan, anders is ons leven niet geslaagd.’ (16) Mensen zijn evaluatieve wezens, op zoek naar een zinvol, waardevol leven. Daarom moeten we het belang van het waarderen leren inzien, en op zoek gaan naar ons eigen normatieve kader. Een eigen rangorde van waarden aanleggen en daarin authenticiteit nastreven.

Uitgangspunt van de ethiek van de levenskunst is de norm dat iemand zichzelf verantwoordelijk stelt voor zijn eigen levenslot. Dat hij bewust gaat leven en zich oefent in zelfexpressie, in daadkracht. Natuurlijk, het leven is niet maakbaar, volledige controle is niet mogelijk. Maar op zijn minst kan men toch van graduele verantwoordelijkheid spreken. Wie niet aan zelfbeheer doet, wordt beheerd. (158) Zelfverantwoordelijkheid is de poging de gang van je leven tot op zekere hoogte te beheersen en te sturen. (37)

Met dit program voor ogen leidt Dohmen de lezer door mooie hoofdstukken over achtereenvolgens de klassieke levenskunstethiek van Socrates, Plato, Stoa, Epicurus, cynici, de herontdekking ervan door Nietzsche (Dohmens dissertatieonderwerp) die in de lijn van het romantisch expressivisme (‘Word wie je bent!’) oproept tot een vitaal en creatief bestaansontwerp, de ethiek van de zelfzorg van Foucault, en diens leermeester Hadot. En ondertussen worden er ook nog wat interne UvH discussies met Manschot en Kunneman beslecht.

Dohmen zelf komt pas goed aan het woord in de hoofdstukken daarna, over authenticiteit als levenshouding (met Taylor gezien als ‘het belangrijkste morele ideaal van onze tijd.’ (191)) Iemand is in de ogen van Dohmen authentiek ‘als hij een doorleefde levenshouding heeft gevonden waarin hij gaandeweg zijn eigen waardeschaal heeft ontwikkeld en op grond daarvan zijn eigen autoriteit is geworden.’ (171) Ik vraag me af of Dohmen bij dat ‘eigen’ toch niet teveel met oorspronkelijkheid en originaliteit vereenzelvigt. (162, 165, tegenover 179).

Terecht vraagt hij afzonderlijke aandacht voor de morele dimensie van authenticiteit: authentiek als waarachtig en oprecht. Wie elke vorm van verantwoordelijkheid voor het eigen handelen wil ontlopen, is onwaarachtig, en moet men in de lijn van het existentialisme ‘te kwader trouw’ noemen. Je moet niet willen ontkennen dat je aan de basis van je eigen handelen staat. (169) Dohmen voert een krachtig pleidooi voor een sterke vorm van subjectiviteit, die haar eigen innerlijke rangorde van waarden aanlegt en serieus neemt. De onverschilligheid uit de titel is vooral te verstaan als lauwheid tegenover zichzelf.

Relevant voor ‘goed oud worden’ is ook het hoofdstuk over de tijd, waarin de temporele dimensie van levenskunst naar voren wordt gehaald. Mensen hebben tijd van leven; en levenskunst is de kunst van timing, een vorm van kairologie. (213) De standaardbiografie deelde de levensloop in in fasen en verstond levenskunst als het naar behoren vervullen van de rol die men in de verschillende fase had te spelen. Nu we met keuzebiografieën te maken hebben is de belangrijkste vraag geworden hoe we de (vaak tragische) overgangen en cesuren in de levensloop het best kunnen maken. ‘Goed leven in de tijd betekent: goed overgaan.’
Er moet een levensritme worden bepaald. Versus het modern activisme dat alles tegelijk wil (de oude Grieken spraken van polypragmosunè) moeten we rangordes willen maken, first things first. Dohmen citeert Nietzsche: Men denkt tegenwoordig met het horloge in de hand. Men leeft als iemand die ‘voortdurend ergens te laat kan komen.’ Maar de dingen hebben hun eigen duur. Heerlijk is het om midden in een vakantie waarin ik mijn tijd flink verlummelde te lezen hoe serieus Nietsche de vraag vond: ‘Waar heb ik mijn tijd met plezier verdaan? Waar heb ik hem verknoeid zonder er spijt van te hebben?’ (211) Hoe sneller de technologie gaat, en tijd ‘wint’, hoe minder tijd, trage tijd we hebben.
Dohmen schrijft ook mooi over hoe we met ons leven een spoor trekken in de tijd, en elke stap die we doen onze identiteit vormt, een ‘trajectory of the self’ (214) Of we met zijn levenskunstethiek ook goed oud kunnen worden? Daarover straks tot slot nog een paar opmerkingen.

Het hoofdstuk over ‘leven volgens een ideaal’ intrigeerde mij het meest. Dat komt omdat ik evenals Dohmen iets heb (ook in de zin van: iets heb te verhapstukken) met zijn sparringpartner in dat hoofdstuk, John Kekes. Levenskunst is volgens Kekes leven volgens een ideaal en je levensprojecten daarop afstemmen. Idealen zijn overkoepelend, projecten zijn concretiseringen daarvan. Je kunt dat ideaal weliswaar nooit bereiken, maar wel belichamen. De handelingen waarmee het ideaal wordt nagestreefd, zijn nooit louter middel om dat ideaal te bereiken. Ze zijn een vorm van praxis (in onderscheid van poeisis, waarmee de activiteiten worden aangeduid om projecten te realiseren, en die zijn wel instrumenteel). Zulke handelingen drukken het ideaal als het ware uit. Bij praxis ligt immers het doel, het wezen, in de handeling zelf, het handelen zelf verschaft voldoening.
Het nastreven van een ideaal wordt daarmee constituerend voor een manier van leven. Persoonlijke excellentie gaat bij Kekes bovenal om het belichamen van individuele idealen.

De combinatie van idealen en projecten levert beste, eervolle, eerloze en slechte levens op.
1. De beste mogelijkheid is dat je leeft volgens je idealen en je projecten ook slagen:
2. de eervolle mogelijkheid is dat je er in slaagt te leven volgens je ideaal, ook al faal je in je projecten
3. de eerloze mogelijkheid is dat je slaagt in je projecten, maar faalt in het ideaal
4. de slechtste mogelijkheid is dat het je niet lukt om te leven volgens je idealen en dat ook je projecten mislukken.

De keuze van je idealen en de stijl van leven die daarbij hoort is belangrijker dan de keuze van je handelingen. Om de idealen te kunnen naleven moet je jezelf transformeren in de juiste persoon, door het vormen van een bepaalde levenshouding (karakter). Dat proces van zelftransformatie conform het gestelde ideaal noemt Kekes zelfsturing. Je ontwikkelt een houding, een ‘dominante attitude’.

Dohmen heeft een soort haat-liefdeverhouding met Kekes, al is ook duidelijk dat hij zich behoorlijk door hem laat inspireren. Met behulp van het jammerlijke verhaal over Mr. Stevens, de tragische butler uit Kazuo Ishiguro’s The Remains of the Day¸die heel zijn leven liet beheersen door één ideaal (waardigheid) en één project (butlerschap) concludeert Dohmen: ‘Het is levensgevaarlijk om het leven in te richten naar één ideaal.’ (251) Niet alleen verongeluk je er zelf mee als het tegenzit, ook ben je gemakkelijk geneigd anderen ervoor op te offeren. Met de nuchtere scepsis van de pluralist Isaiah Berlin betoogt Dohmen dat het beter is te streven naar een rangorde van – wellicht ook conflicterende – waarden, dan een ideaal aan te hangen. (260). ‘De mens uit één stuk is een onverdraaglijk wezen’. (261) Ik vind dat Dohmen hiermee te snel zich van het ideaal afmaakt.  Hij suggereert dat idealen er alleen in gesloten vorm zijn, als politieke utopie. Maar er zijn toch ook open idealen, waarvan we weten dat ze nooit helemaal gerealiseerd  kunnen, terwijl we er toch voor gáán? Ook ‘waarden’ worden idealen, zodra ze in een voorstelling worden gegoten en de situatie hier en nu transcenderen. Deze levenskunstethiek heeft een evenwichtig en realistisch idealisme (Wibren van der Burg) nodig, om niet in pragmatisch scepticisme te blijven steken.

Een mooi hoofdstuk over vriendschap besluit het boek. We komen er veel tegen dat we ook elders kunnen lezen. De laatste bladzijden troffen me als het meest ‘authentiek’, als écht Dohmen. Vrienden kunnen, zegt hij, drie dingen voor elkaar doen. Allereerst: elkaar beschermen tegen de onzekerheid van de menselijke conditie. Zo houden ze voor elkaar de hoop levend, het nihilisme buiten de deur. Vervolgens: aansturen tot zelfvervulling (vriendschap is ‘de enige plek waar een intense bemoeizucht is toegestaan’, 284). Tenslotte: elkaar gelukkig maken. Als er geluk te bleven valt, dan kan dat alleen gedeeld geluk zijn.
Hoezo, levenskunstethiek een navelstaarderig individualisme?

Kun je met ‘Dohmen’ goed oud worden? Het loont de moeite het boek eens vanuit die vraag te lezen. Dan ontkom ik niet aan een paar kanttekeningen in de marge.

1. Dohmen’s levenskunstenaar heeft veel heden en toekomst, maar weinig verleden. Toch: men is ook wat men is geweest. Wat te doen met de herinnering, het verleden dat waaraan men onlosmakelijk toebehoort, dat men ‘heeft’, maar dat tegelijk ons steeds weer (en ook: steeds meer?) ontglipt? Omvat levenskunst ook niet het goed kunnen omgaan met het verleden?

2. Levenskunst is leren omgaan met lijden en tragiek, weet Dohmen. Toch valt op – ik sluit aan op het eerste punt – dat wat Viktor Frankl ooit de ‘tragische triade’ van lijden, schuld en dood noemde, het lijden wel het volle pond krijgt, maar schuld in het geheel niet ter sprake komt, en de dood slechts in de marge (zie straks punt 3). Behoort tot het leven in de tijd niet ook dat men steeds meer schuld opdoet en steeds meer – misschien tegelijkertijd – slachtoffer wordt van de schuld van anderen? Is ouder worden ook niet een zaak van recht doen, recht recht zetten, recht zoeken, van verzoenen en vergeven. Geen woord daarover bij Dohmen.

3. Postmoderne levenskunsethiek houdt bewust de Grote Levensvragen buiten de deur. Dohmen moet niets hebben van een ontologisch vloertje onder zijn ethiek. Pluralistisch en pragmatisch – zo moeten we vandaag te werk; exit de grootse theologische en antropologische ontwerpen, waarbij de mens eerst werd ingebed in een kosmische of religieuze orde en vervolgens pas, als een afgeleide daarvan, de vraag aan de orde kwam hoe te leven. Maar laat de metafysische vraag zich – ook in de ethiek – wel zo gemakkelijk afstoppen, als Dohmen hier doet? Waarom zijn we er überhaupt, en niet veeleer niet? Waarom zijn we er maar zo even en zijn we er ook maar weer zomaar gewéést? De dood krijgt anderhalve bladzijde in het boek (215v.), en de verwijzing naar de rijke traditie van de ars moriendi is niet meer dan dat. Inderdaad, Dohmen heeft gelijk als hij daar zegt: ‘De dood ontneemt de vanzelfsprekendheid aan ons leven.’ Daar heb je geen metafysica voor nodig. Maar dan zijn conclusie: ‘dankzij onze sterfelijkheid is een zinvol en geslaagd leven pas mogelijk’ – die filosofische claim hangt toch zonder een of andere vorm van – hoe minimaal ook – levensbeschouwelijkheid volledig in de lucht? Hoe de wanhoop buiten de deur te houden dat het leven (en dus ook het mijne) volstrekt zinloos is? Ook al leven we lang, het blijft een ademtocht. En dan: wat is de zin van een – ze zijn er bij bosjes – mislukt leven? Zonder een vleugje metafysica krijgt men de zinvraag niet rond.

Read Full Post »

Bohlmeijer e.a. De betekenis van levensverhalen De betekenis van levensverhalen. Redactie: Ernst Bohlmeijer, Lausanne Mies en Gerben Westerhof. Uitgave Bohn Stafleu & van Loghum, 2006, 464 pagina’s. ISBN: 9789031348749, Prijs: € 39,50.

‘Oma vertel’s’ heette het boek dat mijn kinderen aan oma cadeau deden op Kerst en dat ons totaal andere feestdagen bezorgde dan verwacht. De succesformule van auteur Elma van Vliet (ze publiceerde eerder bij uitgeverij Het Spectrum Mam vertel ‘s, en naast Pap vertel’s is er inmiddels ook een Opa vertel’s) werkte ook in onze familie. De uitnodiging in het boek aan Oma om het met haar levensverhaal te vullen, deed mijn schoonmoeder honderduit vertellen over haar levensloop, en veranderden mijn kinderen twee dagen lang van obligate kerstconsumenten in geïnteresseerde luisteraars en interviewers.

Levensverhalen zijn ‘in’ in gezondheidszorg en welzijnswerk, maar ook daarbuiten, omdat ze blijkbaar iets goeds met mensen doen, Men gebruikt ze – zoals wij het in gezinsverband deden – om de eigen familiegeschiedenis voor de vergetelheid te bewaren, maar ook als methode voor sociaal-wetenschappelijk en historisch onderzoek. Daarnaast worden ze breed ingezet in een therapeutische context, o.m. in de ouderenzorg (life review), de psychotherapie, de geestelijke gezondheidszorg, of in de zorg aan mensen met een verstandelijke beperking. Ook in het professionele en individuele coachingscircuit (‘narratieve coaching’) is het werken met levensverhalen in tel.

Op de ‘narrative turn’ in de menswetenschappen lijkt nu een paradigmatische wending naar de autobiografie te volgen in zorg- en welzijnsland. Men lijkt soms wonderen te verwachten van het laten vertellen van het eigen levensverhaal. De claim is niet langer alleen: ‘vertel mij uw levensverhaal en ik zal zeggen wie u bent’, maar ook: ‘vertel het en het zal een ander (beter, gezonder, evenwichtiger etc..) mens van u maken’.

Terecht? Om zin en onzin van die aanspraken te toetsen, maar ook om aan onderzoekers, managers en zorgverleners inzicht te geven in de verschillende mogelijkheden die levensverhalen bieden, is er nu De betekenis van levensverhalen. Theoretische beschouwingen en toepassingen in onderzoek en praktijk. Een dik, prachtig verzorgd uitgegeven boek, waaraan zo’n beetje iedereen die in Nederland ‘iets doet’ met levensverhalen een bijdrage heeft geleverd en waarmee de redacteuren hopen dat het bij zal dragen aan de implementatie van levensverhaalmethoden in de gezondheidszorg en het welzijnswerk. Het wil niet alleen een ‘state of the art’ bieden op het gebied van het werken met levensverhalen, maar ook daartoe inspireren. In die opzet is het zeker geslaagd. Het is een rijk boek geworden, met een overweldigende veelheid aan perspectieven. Wie het uit heeft, weet weliswaar nog steeds niet precies of en hoe het effect van levensverhalen aantoonbaar is (daarover straks tot slot nog iets), maar kan niet anders dan geloven in de kracht ervan.

Het boek is ingedeeld in drieën. Deel I omvat theoretische beschouwingen, deel II toepassingen in sociaal-wetenschappelijk onderzoek en III toepassingen in de praktijk van zorg en welzijn. Een geheel van in totaal een kleine dertig (!) bijdragen van een bonte stoet aan auteurs, afgewisseld met korte prikkelende intermezzo’s, moet door die indeling een zekere heldere structuur krijgen. Dat lijkt ondoenlijk en dat is het ook, gezien de vele toepassingsvelden van het werken met levensverhalen. De ‘praktijk’ is dus alomtegenwoordig, ook in het theoretische deel. Verspreid door het boek zijn er – ik doe een greep – artikelen over het gebruik van levensverhalen in de omgang met daklozen; met Zuid-Afrikaanse en Marokkaanse ouderen; met mensen met kanker, chronische rugpijn of depressie. Maar ook het levensverhaal van kinderen uit de jeugdzorg en mensen met een verstandelijke beperking komt aan bod. Omgekeerd is de theoretische doordenking van het werken met levensverhalen evenmin tot deel I beperkt. Hoe praktisch ingesteld ook, de meeste auteurs reflecteren ook op hun methode. Dat maakt de indeling soms willekeurig. Sommige bijdragen (zoals die van Hermans en Westerhof over narratieve psychotherapie en van Meininger over levensverhalen voor mensen met een verstandelijke beperking aan het eind van deel III) zijn zo helder en met methodologisch bewustzijn geschreven, dat het jammer is dat men ze niet al eerder in deel I tegenkomt. De hermeneutiek van Dilthey en Gadamer, met inmiddels klassieke visies op het verstaan van wat er bij vertellen gebeurt, komt pas in deel II aan bod, en had ik ook eerder verwacht. En waarom moest, omgekeerd, een praktijkgeörienteerd artikel over mensen met kanker (Bouwer) weer in deel I worden opgenomen? Ik kon de ratio achter de plaatsing van sommige artikelen niet goed ontdekken.

De theorie van het levensverhaal komt er in het boek so wie so wel wat bekaaid af. Was niet een meer systematische oriëntatie op de narratieve paradigmawisseling in de filosofie en de literatuurwetenschap, als achtergrond voor het werken met levensverhalen, op zijn plaats geweest? En had dan minstens niet ook Paul Ricoeur een artikel verdiend? Ik had het graag willen checken in het naamregister die een naslagwerk van dit kaliber verdient, maar volgens mij wordt zijn naam in het hele boek niet één keer genoemd. En William L. Randall mag dan gelden als de internationale innovator op het gebied van levensverhalen, zijn bijdrage – de enige in het boek niet van Nederlandse bodem levert een mooi persoonlijk relaas op over zijn cursus narratieve gerontologie, maar biedt maar weinig vlees en bloed als het gaat om theorievorming. Zou in dat verband iemand als Dan McAdams (The stories we live by) niet een steviger systematischer vloertje hebben kunnen leggen?

Misschien is de gekozen indeling in theorie (wat is een levensverhaal?), onderzoek (wat kun je er mee te weten komen?) en praktijk (waarvoor kun je het gebruiken?) ook een beetje kunstmatig. De auteurs hebben zich er hoe dan ook zelf weinig aan gelegen laten liggen. Ze doen stuk voor stuk hun eigen verhaal, en de redacteuren lijken niet al te streng tegen hen te zijn geweest. Precies formulerende wetenschappers, maar ook vrij associërende geesten als Prinsenberg mogen – soms heel lang – aan het woord komen. Dat maakt niet alleen kwaliteitsverschil, maar ook een zekere redundantie in het boek onvermijdelijk.

Zelf had ik als lezer gaandeweg meer behoefte aan een wat steviger redactionele handreiking. Mij had een scherpere onderscheiding tussen het effect van levensverhalen (wat bereiken ze?) en het doel ervan (wat willen we ermee?) misschien kunnen helpen om de rode draad in dit boek (de betekenis van levensverhalen) beter te kunnen vasthouden. Zo blijkt de historicus of antropoloog in hun gebruik van levensverhalen uit op kennisverwerving, maar streeft de zorgverlener naar een remediërende werking. Ze hebben verschillende doelen. Maar ze kunnen uiteindelijk hetzelfde effect te weeg brengen: een leven dat (weer) zin krijgt.

De redacteuren stellen in hun slotbeschouwing voor het levensverhaal als een handeling te beschouwen, waarmee mensen zowel samenhang in hun herinneringen en levensgebeurtenissen aanbrengen (een coherent verhaal met een helder plot), als ook een sociale verbintenis scheppen. Daarom vertellen mensen hun verhaal, dat is het doel dat ze er zelf mee bereiken willen.

Maar wat is nu het feitelijke effect van het methodisch werken met levensverhalen? Dat willen zorgmanagers graag weten, voor ze er geld en tijd voor opzij zetten. Reliëf is met het oog daarop betrokken bij een onderzoek naar de effecten van het werken met levensboeken in de ouderenzorg, en ontwikkelde speciaal met het oog daarop de levensboekmethode Open Kaart (zie daarvoor ook de bijdrage van Wout Huizing en Thijs Tromp aan het boek). Worden mensen er ook werkelijk beter van als ze hun verhaal mogen doen? We krijgen in dit boek geen precies antwoord, ondanks het feit dat alle auteurs geloven in de kracht van het levensverhaal en een pleidooi voeren voor het opnemen van levensboekmethoden in de integrale zorg. Voorzichtig wordt geconcludeerd dat een levensverhaalmethode misschien wel een therapeutisch effect heeft (het psychisch welbevinden neemt toe), maar dat daarin niet het primaire doel ligt. Die ligt in het feit dat verhalen zin stichten.

Is die reële bescheidenheid een tijdelijke zwakte die door nog meer onderzoek kan worden ondervangen? Het lijkt er eerder op dat hier twee verschillende vertogen van zorg en welzijn met elkaar botsen, die nooit met één mond zullen spreken, alle effectonderzoek ten spijt. Daarbij staat een visie op zorg waarvan zingeving een intrinsiek onderdeel vormt, tegenover een visie die er geen woorden voor heeft.

 

 

Read Full Post »

246_buitenspel_site.jpg

 

 

Rudi Westendorp, Buitenspel? De kunst van het oud worden (Wormer: Inmerc 2007).
Een leeservaring

 

 

Een mooi vormgegeven boekje, met drie beschouwende teksten van Westendorp (hoogleraar Ouderengeneeskunde aan het LUMC), en dertig portretten (interviews + foto’s van Jan den Hengst) van dertig vitale tachtigplussers.

Het fascinerende perspectief van de medicus domineert:

Biologisch gezien is het met ons na ons veertigste zo ongeveer gedaan. Na de puberteit neemt de sterftekans snel toe bij het stijgen van de leeftijd. Ons lichaam gaat er in conditie ieder jaar op achteruit, en dit noemen we ‘veroudering’. Het loopt steeds meer letsel op, zodat we ziek worden, tenslotte zo dat we er aan uiteindelijk aan overlijden. Geen overlijden zonder ziekten (ongelukken daargelaten).

Waarom ons veertigste? Vanuit evolutionair-theoretisch gezichtspunt is dat de leeftijd die we ongeveer nodig hebben om kinderen op de wereld te zetten en ze zo op te voeden dat ze zelf weer in staat zijn kinderen te krijgen. Dan hebben we onze evolutionaire plicht gedaan, en onze genen veilig gesteld. Wijzelf, wij kunnen wel gaan. ‘Onderhoud en herstel van ons lichaam boven de veertig jaar is niet noodzakelijk voor het instandhouden van de soort en er treedt geleidelijk aan een chaotische toestand van ons lichaam op die je veroudering zou kunnen noemen.’ (p. 11)

Er is wél een biologisch programma voor het leven, maar geen programma voor veroudering. Er is geen genetische sturing richting graf, geen door ‘de natuur’ gepland overlijden. We gaan niet dood aan de dood, maar aan een ziekte.

Er is nog geen afdoende onderliggende biologische verklaring voor veroudering. In 1965 kwam Leonard Hayflick met de theorie dat cellen beperkt aantal malen kunnen delen. Veroudering zou het resultaat zijn van het feit dat cellen hun vermogen om te delen hebben verloren en dat daardoor beschadigde weefsels en organen hun functie verliezen (de ‘Hayflick-limit’). Wij worden ziek en overlijden. Maar waterpoliepen en zeeanemonen kunnen het – dit oneindige celdelen – wél. Hoe komt het dat het bij mensen een keer ophoudt? Omdat we complexe wezens zijn en de reparatie van gespecialiseerde weefsel- en orgaancellen die stuk gaan tekort schiet. We hebben wel stamcellen, die het vermogen om te delen wél hebben en te hulp schieten wanneer er schade optreedt. Maar op hoge leeftijd hebben we een tekort aan stamcellen. Het verlies aan gespecialiseerde cellen kan dan niet meer worden goedgemaakt.

Veroudering is dus eigenlijk niets anders dan toenemende beschadiging. Geheugenverlies, stramme ledematen, spierzwakte, slechtere ogen en oren noemen we ‘normaal’ bij het ouder worden. Maar vanuit biologisch perspectief is er geen verschil tussen normale veroudering en ziekte. ‘Beide zijn uitingen van verworven schade aan het lichaam’. (p. 17) Het verschil is dat de dokter het één ziekte noemt en denkt dat hij er iets aan kan of moet doen, maar bij veroudering zegt: ‘wat wilt u ook? U bent al vijfentachtig! (Westendorp noemt dat het ‘nihilisme’ van artsen).

 

Vanuit dit biologisch perspectief (ouderdom is een ziekte, geen natuurlijk proces) komt Westendorp gaandeweg tot meer normatieve conclusies. Hij zet in bij het concept van de ‘compression of morbidity’ (James Fries, 1980): de verwachting (of het ideaal?) dat ziektes steeds meer te voorkomen en te genezen zullen zijn, zodat we tot op hoge leeftijd gezond blijven om daarna in korte tijd dood te gaan, omdat mensen nu eenmaal een beperkte tijd van leven hebben.

Fries ging daarbij uit van een verborgen genetisch verouderingsprogramma, een script waarin een laatste akte is voorzien, zoals in een opera. Welnu, er is wel een biologisch programma voor het leven (kinderen krijgen die kinderen kunnen krijgen), maar niet voor de dood.

Dat betekent dat de maximale levensverwachting (nu zo rond de 120) een heel rekbaar begrip is, en in de toekomst nog wel eens veel verder zal kunnen worden opgerekt. Dat betekent ook, dat er – in tegenstelling tot wat Fries graag wilde – eerder een toename van het aantal jaren- -met-chronische-ziekten is te verwachten, dan een afname. Dat blijkt ook uit onderzoek: de levensverwachting mag dan wel toenemen (al lopen we inmiddels behoorlijk achter bij bv. Japan), maar de gezónde levensverwachting neemt af.

Er is geen natuurlijke ‘norm’ om te normeren wat we normaal vinden, alleen de historische ervaring tot nu toe. En waarom zouden we die tot normerend uitgangspunt nemen voor onze kijk op de ouderdom? Vandaar dat Westendorp er wel voor lijkt te voelen om de gebreken van de ouderdom voortaan ook maar ‘ziekte’ te gaan noemen. Een strategie die bedacht is door het National Institute of Aging in de VS, die in de jaren tachtig geen geld kreeg voor onderzoek naar seniliteit, maar wel voor – na een retorische herdoop van hetzelfde verschijnsel – de ziekte van Alzheimer. De wisseltruc krijgt steeds meer navolging: slecht ter been zijn heet nu sarcopenie.

Westendorp beschrijft de ‘truc’ wat cynisch, maar als ik het goed zie gelooft hij ook zelf wel in dit verhangen van de bordjes, en niet alleen om meer onderzoek gefinancierd te krijgen. Er is geen ‘normale veroudering’, oud worden is immers biologisch gezien niets anders steeds meer ziektes oplopen en er tenslotte aan onderdoor gaan, omdat er geen repareren meer aan is.

Welnu, zoals elke dokter wil Westendorp zich bij dat laatste (‘artsennihilisme’ noemt hij het immers) niet neerleggen. Het Nederlandse gezondheidszorgbeleid moet om te beginnen geen genoegen nemen met een plek in de middenmoot van de gezonde levensverwachting en hard gaan werken aan preventie (bv. van overgewicht). We moeten de Japanners weer willen verslaan! Er kan echter ook nog veel winst behaald worden op een verzachting van de gevolgen van de chronische beperkingen waar ouderen onder hebben te lijden. Die hebben we al steeds beter in de hand. Dat de levensverwachting ‘in goed ervaren gezondheid’ stijgt (tussen 1989 en 1998 al met zo’n 1,7 jaar), komt niet doordat oude mensen minder ziek worden, maar ze er – dankzij ook de arts en de verpleging – beter mee hebben leren omgaan. Westendorp concludeert dan, zo op het oog verrassend en out of the blue, even nadat hij erop gewezen heeft dat ouderen in de toekomst rekening moeten houden met een onvermijdelijke periode van ziekte:

 

‘De welvaart in Nederland geeft ons ook de mogelijkheden om de gevolgen van ziekte steeds langer uit te stellen. Het aantal jaren dat we op hoge leeftijd beperkingen ervaren wordt kleiner. De kansen op een lang en gezond leven zijn nooit groter geweest dan nu.’ (21)

 

Die conclusie bevreemdt op het eerste gezicht. Hier lijkt bij het interpreteren van de feiten (de ‘compression of morbidity’ kunnen we wel vergeten) wel een héél roze bril opgezet (vgl. p. 108). We worden langer en meer (chronisch) ziek dan ooit tevoren, zegt Westendorp eerst. Veroudering is in feite immers niets anders dan het toenemend oplopen van onvermijdelijke schade aan het lichaam. Tegelijk is de kans op langer gezond blijven groter dan ooit. Hoe kan hij beide tegelijk zeggen?

Omdat, zo concludeer ik op grond van zijn slotparagraaf over ‘succesvol oud worden’, gezondheid heel sterk als ervaren gezondheid wil interpreteren. Hoe wordt iemand succesvol oud? Wie ‘succes’ hier in termen van optimaal fysiek, mentaal en sociaal functioneren definieert (de omschrijving van gezondheid die de WHO hanteert), kan niet anders dan concluderen dat – op de krasse knarren na die in de rest van het boek worden geportretteerd – de ouderdom met steeds meer gebreken komt, en dus de gezondheid afneemt naarmate we ouder worden. Zou Westendorp het zo zien, dan zou hij meteen zijn roze bril moeten afzetten. Als men echter succes definieert als geslaagde aanpassing aan de eisen van het leven op hoge leeftijd, dan kan hij hem wat makkelijker ophouden. Een succesvolle veroudering berust dan ‘op het halen van persoonlijke en individueel gestelde doelen en het vermogen daar voldoening uit te halen.’(p. 114) De opmerkelijke uitkomst van het Leidse onderzoek van antropologe Margaret Faber naar het welbevinden van 85-plussers, is dan verklaarbaar: ook al vertoonden ze lichamelijk en geestelijk tal van mankementen, op de vraag: bent u over het algemeen genomen tevreden over uw huidige leven?’, antwoordde een overgrote meerderheid positief (de zgn. ‘disability paradox’). Ze waren in staat een voor hen zelf bevredigende balans te vinden tussen hun lichamelijke en geestelijke conditie enerzijds en hun sociale functioneren anderzijds.

 

Westendorp’s roze bril is dus wel te verklaren; maar zet hij hem ook terecht op zijn neus? Dat vraag ik me wel af. Hij staat er natuurlijk ook pour besoin de la cause en dient een verdere maatschappelijke inzet op preventie en integrale ouderenzorg. Als ouderdom een ziekte is, en we steeds ouder en dus zieker worden, moeten we er alles aan doen om tenminste de gevolgen van die ziekte te bestrijden – en dat kan ook, kijk maar naar de winst die we de laatste jaren daarin al behaald hebben!

Maar wat een klus zal het worden voor ouderen zelf en hen die hen in zorg en welzijn begeleiden, om die balans te vinden. Kun je je daar goed op voorbereiden zolang de ‘sudden death’ van Fries nog de stille wens van bijna iedere oudere is en we cultureel gesproken nog massaal met de rug naar ‘de ziekte ouderdom’ staan? Een roze bril, okée wat mij betreft, maar dan wel in een wat donkerder teint graag.

 

Nog een paar waarnemingen, die te denken geven:

 

  1. Wie werden er vroeger oud? Omstreeks 1850, op het hoogtepunt van de industriële revolutie in Engeland, was de levensverwachting rond de veertig. Voor de Britse adel echter circa vijfenzestig. Wie rijker is, heeft een lagere kans om te overlijden. De hogere sociaal-economische klasse doet minder gevaarlijk werk, rijdt in betere auto’s, weten meer over gezondheid en weten ook sneller de weg tot de zorg te vinden.
  2. Om de disability paradox (je toch goed voelen als je ziek bent) te verklaren doet W. een beroep op het oude dualisme tussen lichaam en geest. Die twee vormen geen eenheid, maar onderhouden een LAT-relatie. ‘Het is imposant om te zien hoe in de vele zieke lichamen zulke gezonde geesten wonen’. ‘Het is moeilijk om ons voor te stellen dat een falend lichaam onze geest mooier, intensiever en beter kan maken’. (117) Zulke zinnen verwacht je niet van een medicus/natuurwetenschapper.
  3. Een mooie variant op ‘iedereen wil oud worden, maar niemand wil het zijn’, het motto van het boek: ‘Ouderdom, hoe zijd gij zo veracht, terwijl een ieder u begeert’ (Anoniem, 17e eeuw).

 

 

Read Full Post »

Komkommernieuws

Betovergrootmoeder (94) afgestudeerd

In de rubriek Komkommernieuws, van  de Volkskrant (3 augustus). Vooruit dan maar. En nu maar hopen dat ze ook gaat promoveren…. 

AP

CANBERRA – De 94-jarige Australische Phyllis Turner, die op haar 12de van school ging, is deze week afgestudeerd in de medicijnen. Generaties nakomelingen van betovergrootmoeder Turner waren erbij toen zij dinsdag op de universiteit van Adelaide haar bul kreeg uitgereikt.

Turners studiementor, Maciej Henneberg, zei dat zij waarschijnlijk de oudste mens ter wereld is die een universitaire graad heeft behaald. “Mensen worden wel 101, maar blijven zelden zo jong van geest.” Henneberg zei Turner te hebben aangeraden door te gaan voor promotie, maar tot nu toe heeft ze zijn aanbod om haar daarbij te helpen van de hand gewezen.Turner ging op haar 12de van school om haar moeder te helpen met de verzorging van haar jongere broers en zusters, toen haar vader het gezin in de steek liet. Nadat ze haar eigen zeven kinderen en twee stiefkinderen had grootgebracht maakte ze in de avonduren alsnog haar schoolopleiding af, “omdat ik dol op leren ben”, vertelde ze deze week in een radiointerview. Op haar 70ste schreef ze zich in aan de universiteit van Adelaide, twee jaar later won zij een beurs voor een studiejaar aan de universiteit van Californië en uiteindelijk haalde zij haar bachelor aan de Australian National University.Het besluit om een mastersopleiding te gaan volgen nam zij na de dood van haar man, vijf jaar geleden. Ze zei dat ze het gevoel had ook nog wel zou kunnen promoveren, maar dat haar familie graag wil dat ze het wat kalmer aan gaat doen. “Het enige probleem is dat mij te weinig jaren resten.”

Read Full Post »