Piet Houben, Interactief levensloopbeleid. Vensters en gereedschap om de tweede levenshelft vorm te geven. SWP Amsterdam 2009.
Met dit boek presenteert Houben (emeritus hoogleraar Toegepaste Sociale Gerontologie, consultant en trainer) een vervolg op en een update van Levensloopbeleid, dat in 2002 verscheen. Het is bestemd voor mensen die samen met hun omgeving in hun tweede levenshelft zich willen blijven ontwikkelen. Houben beschouwt de levensloop niet bij voorbaat als een opgaan, blinken en verzinken, maar als een voortdurende mogelijkheid tot groei. Biologisch mag een mens over de vijftig over zijn top heen zijn, psychologisch en sociaal heeft hij nog veel groeipotentieel in huis, dat er om vraagt aangesproken en benut te worden. Het eerste deel van zijn boek is gewijd aan een theoretische verkenning van het ontwikkelpotentiaal van ouderen.
Deel II biedt concrete handvaten tot het interactief ontwikkelen van levensthema’s die ouderen een inspirerend toekomstperspectief kunnen bieden. Houben heeft in het kader van zijn betrokkenheid bij de Levensloop Academie veel ervaring opgedaan in het trainen en coachen van groepen ouderen, en biedt tal van werkvormen.
Het derde deel verandert van niveau en perspectief: omdat Houben ervan overtuigd is dat mensen alleen in samenspel met hun omgeving sturende invloed op hun levensloop kunnen uitoefenen, staat in dat deel de ontwikkeling van sociale innovatietrajecten centraal. Daarin wordt gestreefd een optimale match tot stand te brengen tussen wat mensen kunnen en willen (hun competenties en talenten) enerzijds, en wat de organisaties waarin ze als senior werken of waarvan ze deel uitmaken anderzijds (bijv. voor Vierde Leeftijders het verzorginghuis).
Hoewel bij eerste lezing deze perspectiefwisseling halverwege het boek, van micro (het individu) naar meso (organisatie) en zelfs macro (het sociale EU-beleid) als een stijlbreuk overkomt, is het boek het resultaat van één samenhangende visie op de betekenis van modernisering voor de levensloop in het algemeen en de tweede levenshelft in het bijzonder. Maatgevend is daarbij Houben’s inspirator, de filosoof Arnold Cornelis. Cornelis introduceerde de term ‘communicatieve zelfsturing’ om aan te geven dat de culturele evolutie nu in een derde stadium is aanbeland: na het natuurlijke systeem uit de pre-moderne tijd, waarin alleen de vraag naar overleven geldt, volgde het moderne, sociale regelsysteem, waarbij het erom ging een politieke en sociale ordening te ontwerpen, waarin ieder individu zijn hiërarchische rol heeft te vervullen. Is de individuele mens daarin nog voorwerp van sturing, vanaf eind 20e eeuw ontstaat er een postmoderne samenleving die alleen kan functioneren als er beroep mag worden gedaan op zijn eigen zélfsturend vermogen. Wie dat vermogen niet gaandeweg zijn levensloop weet te ontwikkelen, zal in dit systeem niet optimaal tot ontplooiing kunnen komen. Hij zal gemarginaliseerd worden als loser, en wordt hoogstens als voorwerp van formele of informele zorg bejegend.
Het spreken over autonomie, zelfmanagement, zelfsturing etc. is vanuit dit perspectief gezien meer dan alleen een trend, een normatief – en tijdelijk – ideaal van neo-liberalen; het is een fundamentele waarde die noodzakelijk moet worden nagestreefd om te kunnen overleven in de samenleving van de 21e eeuw.
Dit kerninzicht, ontleend aan Cornelis, wordt door Houben gecombineerd met o.a. moderniseringstheorieën van Giddens, Beck en Habermas, de psychologische flow theorie van Csikszentmihaly, gerontologische theorievorming over coping van Baltes en systeemtheoretische bespiegelingen van Damasio.
Het resultaat is – conform ook Cornelis zelf – een systemische kijk op de tweede levenshelft. Bij alle waardering die ik voor het boek heb, stel ik hier mijn meest centrale vraag erbij. Het onoplosbaar conflict tussen leefwereld en systeem waaraan de mens in de postmoderniteit laboreert, ten onzent door bijv. Harry Kunneman treffend onder woorden gebracht, komt bij Houben niet tot uitdrukking. Er is hoogstens sprake van een mismatch, die door hetzij sociale innovatie (het organisatiesociologische perspectief), hetzij individuele coaching (het trainingsperspectief) moet worden vereffend. Houben’s theoretisch perspectief lijdt daar niet aan en onder, omdat zijn mensvisie van meetaf aan met Cornelis systemisch van aard is, vanuit een spinozistisch totaalperspectief (zie p. 22) ontworpen. Houben beschrijft de enkeling in de derde persoon enkelvoud, en kan – ondanks zijn regelmatige gebruik van het woord ‘existentieel’ – hem of haar niet in de eerste persoon raken.
Hij strijkt de modernisering ook niet tegen de haren in. De existentiële èn systemische ambivalenties en aporieën van de tweede moderniteit worden nauwelijks zichtbaar. Houben conformeert zich wellicht te gemakkelijk aan één van de basistrends in de modernisering, die hij zelf beschrijft: ‘het steeds meer met behulp van wetenschap en technologie functioneel aanpakken van vraagstukken’. (p.132)
(Ik vond wel één treffende passage – op p. 134 – over een ‘doorgeschoten’ modernisering , die een onwenselijke fragmentering tot gevolg heeft, desastreus voor ouderen met een verminderd stuurvermogen en een meervoudige zorgvraag. ‘Zij hebben bestaansproblemen op meer dan één levensdomein, maar dienen vanwege de fragmentatie van het verzorgingssysteem hun vraag in subvragen te knippen…’ Is de oplossing die Houben aandraagt, een ‘functieverbreding’ of een ‘gemengd functiedragerschap’ voor de professional echt een oplossing of een verschuiving van het probleem?)
Het boek levert ondertussen een schat aan theoretische inzichten, heldere analyses, en een palet aan concrete werkvormen, waarmee professionals die werken met ouderen hun voordeel kunnen doen. Wie dit boek weglegt, heeft de idee, dat 45 plussers hebben afgedaan voor organisaties, voorgoed afgezworen. De overtuiging dat zelfsturing altijd communicatief is, en autonomie dus altijd relatief, wordt – ondersteund door een studie van Hortulanus e.a. over sociaal isolement – bovendien consequent vastgehouden. De ‘nieuwe oudere’ zal nog zoveel zelfvertrouwen en vermogen tot coping hebben, als hij geen ‘netwerker’ wordt en sociale vaardigheden verwerft, zal hij het in ons type cultuur afleggen. Tenslotte, waardevol is Houben’s boek ook, omdat het – in het verlengde van zijn vorige – laat zien dat ouderenbeleid om complexe afstemming vraagt op meerdere niveaus (technologisch, sociaal-cultureel, politiek), en een integratie van meerdere kennisdomeinen. Wil de nieuwe oudere een waardevolle bijdrage kunnen (blijven) leveren aan de samenleving en voor zichzelf een zinvolle plek daarin kunnen innemen, dan zal elke eendimensionaliteit in het beleid moeten worden vermeden. Of Houben zelf echter voldoende weerwerk biedt om één vorm ervan (de technocratie) buiten de deur te houden?