Ageing in Society (3rd Ed.) Editors: John Bond, Sheila Peace, Freya Dittmann-Kohli & Gerben Westerhof, Sage Publications, 2007
Het gaat om de derde, volledig herziene versie van een klassiek handboek, waarin nadrukkelijk geprobeerd wordt een Europees perspectief in te nemen. Een keur van gerontologen werkt er aan mee. Tussen een introducerende bestandsopname van wat oud worden vandaag, europees en globaal gezien, betekent en een slothoofdstuk waarin de uitdagingen van de toekomst van de ouderdom centraal staan, passeert een schat aan informatie, vaak zo gedrongen en gecondenseerd gepresenteerd dat achter elke zin weer tien andere perspectieven opdoemen.
De aftrap is voor de biologen. Rudi Westendorp en Thomas B.L. Kirkwood (de man van de disposable soma theorie) geven een adembenemende overzicht van ouder worden in evolutie-theoretisch perspectief. Hoopvolle kern: voor oud worden is er geen genetisch programma, dus hoe de ouderdom er in de toekomst uit zal zien ligt niet vast. Minder vrolijke boodschap: we zullen wellicht langer leven, maar daarvan meer jaren in slechtere gezondheid doorbrengen.
De hand van Alfons Marcoen is te herkennen in het volgende hoofdstuk over Psychological Aging, met ook verhelderende paragrafen over methodologie (over onderzoekstechnieken schrijven Victor, Westerhof en Bond een afzonderlijk gedegen hoofdstuk). Het lijkt wel alsof zijn Nederlandse handboek (‘Als de Schaduwen langer worden…’) in gecondenseerde vorm is herschreven.
Nadat zo een gedegen ‘antropologisch vloertje’ is gelegd, komen uitvoerig de sociale gerontologen aan het woord. Chris Philipson en Jan Baars laten vanuit hun ‘kritisch- gerontologisch’ gezichtspunt zien hoe oud worden (en de theorieën daarover) sociale constructies zijn en inzet van politieke strategieën, en dat globaliseringsprocessen nieuwe sociale ongelijkheden in de positie van ouderen zullen scheppen (een gegeven dat ook in het slothoofdstuk terugkomt).
Er volgen vergelijkende studies over wet- en regelgeving en sociaal-politiek beleid in verschillende Europese landen, over gezondheid en afhankelijkheid (Bond, Rodriguez Cabrero; met opnieuw het paradoxale gegeven dat ouderen met – een ‘objectief’ gezien – slechte gezondheid zichzelf subjectief veel gezonder inschatten, maar dat, als ze dat eenmaal doen, wel weer langer leven dan de hypochonder), sociale zekerheid (Gerhard Naegele, Alan Walker) en arbeid en pensioen (Harald Künemund en Franz Kolland), waaruit blijkt dat er van ‘Unie’ in de EU nog weinig sprake is: zorg is Angelsaksisch (medische zorg publiek, sociale zorg privaat), continentaal (mix privé-publiek), ‘noords’ (alles publiek) of mediterraan (nog steeds vooral privaat) georganiseerd, hoewel er overal nu wel de tendens is tot selectieve privatisering); sociale zekerheid sociaal-democratisch (Scandinavië), liberaal (UK), corporatistisch-conservatief (de meeste andere Europese landen, aan inkomen gekoppeld) en basaal (Griekenland, Portugal, Spanje); maar ook daar de gedeelde Europese tendens tot privatisering van de pensioenen en verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd.
Vervolgens komen bijdragen over persoonlijke relaties en ouderen (waarin mèt de post-moderne individualisering ook de terugkeer van de – weliswaar nu verticale – extended family wordt gesignaleerd), en twee bijdragen vanuit een ecologisch (over de wisselwerking tussen omgeving en de ouder wordende mens) en een sociaal-constructionistisch paradigma (over de culturele constructie van identiteiten van ouderen).
Ralph Krampe en Lynn McInnes schrijven over cognitieve compententie (een bijdrage die m.i. wel eerder in het boek had gekund), waarop een hoofdstuk van Freya Dittmann-Kohl en Daniela Jopp over self-management volgt, waarin geprobeerd wordt om drie oorspronkelijk beschrijvende coping-theorieën (Brandstädter’s model van accommodatie en assimilatie; Baltes’model van selectie, optimalisatie en compensatie en Heckhausen’s theorie van adaptatie d.m.v. verschuiving van primaire naar secundaire controle) therapeutisch aan te bieden aan de Derde Leeftijder, om er zijn of haar voordeel mee te kunnen doen.
In de toekomstverkenning tenslotte komen inzichten eerder in het boek ontwikkeld weer terug. Als ouderen alsmaar met meer komen en alsmaar ouder worden, wie zorgt er dan voor hun sociale zekerheid, wie zal hen verzorgen als het moet? We zullen – en kunnen ook – anders over arbeid moeten gaan denken. Ageism zal moeten verdwijnen. En als families minder stabiel en hecht worden, zullen vriendschappen een belangrijkere rol gaan spelen. Postmodern oud worden betekent echter ook dat het oud worden in de 21e eeuw niet over mensen heen komt als een regenbui, maar dat ze zelf de hand zullen hebben in de constructie van hun nieuwe identiteit.