Joep Dohmen, Tegen de onverschilligheid. Pleidooi voor een moderne levenskunst. Amsterdam: Ambo 2007.
Wat Dohmen wil met zijn ethiek van de levenskunst is misschien het beste te begrijpen als men haar situeert in het veld van de discussie over (neo)liberalisme vs. communitarisme. Het liberalisme individualiseert ons radicaal, maar is verder helemaal niet geïnteresseerd in de vraag of wij de vrijheid wel kunnen dragen. De markt reduceert ons tenslotte tot consumenten. Moeten we dan van de weeromstuit vluchten in het communitarisme, en ons koesteren in gemeenschappen en tradities? Neen, zegt Dohmen – en ik val hem van harte bij – we moeten de negatieve vrijheid van het neoliberalisme vullen met een krachtig verstaan van positieve vrijheid. ‘Het individualisme moet vanuit een ander individualisme worden gecorrigeerd.’ (200) Het liberalisme heeft te weinig oog voor de kwestie van de geestelijke weerbaarheid van het individu. Dat een mens weer weet waarvoor hij leeft en het eigen leven authentiek (176!) en weerbaar ter hand neemt! Levenskunst is uit op empowerment. (128v.) (133)
Dohmen zet een lijn in de klassieke filosofie door die – zo Hadot – als inzet had: ‘Het geestelijk weerbaar maken van de kwetsbare mens onderweg in zijn bestaan.’ (143) Het komt erop aan de uniciteit van het individu in ere te houden, maar ondertussen de kortzichtige liberale moraal van zelfbeschikking te corrigeren. Het leven is tragisch, we kunnen worden gekwetst en verlaten. Wat we kunnen en moeten: daarin een innerlijke orde zoeken, en een zekere gemoedsrust en vitaliteit bewaren. (201)
Levenskunstethiek is een ethiek van zelfzorg. Het draait er om zelfsturing met het oog op het goede leven. Dan moet men niet vies zijn van krachtig moraliseren. Dohmen is onverholen normatief in zijn oordeel: ‘het moet ergens over gaan, anders is ons leven niet geslaagd.’ (16) Mensen zijn evaluatieve wezens, op zoek naar een zinvol, waardevol leven. Daarom moeten we het belang van het waarderen leren inzien, en op zoek gaan naar ons eigen normatieve kader. Een eigen rangorde van waarden aanleggen en daarin authenticiteit nastreven.
Uitgangspunt van de ethiek van de levenskunst is de norm dat iemand zichzelf verantwoordelijk stelt voor zijn eigen levenslot. Dat hij bewust gaat leven en zich oefent in zelfexpressie, in daadkracht. Natuurlijk, het leven is niet maakbaar, volledige controle is niet mogelijk. Maar op zijn minst kan men toch van graduele verantwoordelijkheid spreken. Wie niet aan zelfbeheer doet, wordt beheerd. (158) Zelfverantwoordelijkheid is de poging de gang van je leven tot op zekere hoogte te beheersen en te sturen. (37)
Met dit program voor ogen leidt Dohmen de lezer door mooie hoofdstukken over achtereenvolgens de klassieke levenskunstethiek van Socrates, Plato, Stoa, Epicurus, cynici, de herontdekking ervan door Nietzsche (Dohmens dissertatieonderwerp) die in de lijn van het romantisch expressivisme (‘Word wie je bent!’) oproept tot een vitaal en creatief bestaansontwerp, de ethiek van de zelfzorg van Foucault, en diens leermeester Hadot. En ondertussen worden er ook nog wat interne UvH discussies met Manschot en Kunneman beslecht.
Dohmen zelf komt pas goed aan het woord in de hoofdstukken daarna, over authenticiteit als levenshouding (met Taylor gezien als ‘het belangrijkste morele ideaal van onze tijd.’ (191)) Iemand is in de ogen van Dohmen authentiek ‘als hij een doorleefde levenshouding heeft gevonden waarin hij gaandeweg zijn eigen waardeschaal heeft ontwikkeld en op grond daarvan zijn eigen autoriteit is geworden.’ (171) Ik vraag me af of Dohmen bij dat ‘eigen’ toch niet teveel met oorspronkelijkheid en originaliteit vereenzelvigt. (162, 165, tegenover 179).
Terecht vraagt hij afzonderlijke aandacht voor de morele dimensie van authenticiteit: authentiek als waarachtig en oprecht. Wie elke vorm van verantwoordelijkheid voor het eigen handelen wil ontlopen, is onwaarachtig, en moet men in de lijn van het existentialisme ‘te kwader trouw’ noemen. Je moet niet willen ontkennen dat je aan de basis van je eigen handelen staat. (169) Dohmen voert een krachtig pleidooi voor een sterke vorm van subjectiviteit, die haar eigen innerlijke rangorde van waarden aanlegt en serieus neemt. De onverschilligheid uit de titel is vooral te verstaan als lauwheid tegenover zichzelf.
Relevant voor ‘goed oud worden’ is ook het hoofdstuk over de tijd, waarin de temporele dimensie van levenskunst naar voren wordt gehaald. Mensen hebben tijd van leven; en levenskunst is de kunst van timing, een vorm van kairologie. (213) De standaardbiografie deelde de levensloop in in fasen en verstond levenskunst als het naar behoren vervullen van de rol die men in de verschillende fase had te spelen. Nu we met keuzebiografieën te maken hebben is de belangrijkste vraag geworden hoe we de (vaak tragische) overgangen en cesuren in de levensloop het best kunnen maken. ‘Goed leven in de tijd betekent: goed overgaan.’
Er moet een levensritme worden bepaald. Versus het modern activisme dat alles tegelijk wil (de oude Grieken spraken van polypragmosunè) moeten we rangordes willen maken, first things first. Dohmen citeert Nietzsche: Men denkt tegenwoordig met het horloge in de hand. Men leeft als iemand die ‘voortdurend ergens te laat kan komen.’ Maar de dingen hebben hun eigen duur. Heerlijk is het om midden in een vakantie waarin ik mijn tijd flink verlummelde te lezen hoe serieus Nietsche de vraag vond: ‘Waar heb ik mijn tijd met plezier verdaan? Waar heb ik hem verknoeid zonder er spijt van te hebben?’ (211) Hoe sneller de technologie gaat, en tijd ‘wint’, hoe minder tijd, trage tijd we hebben.
Dohmen schrijft ook mooi over hoe we met ons leven een spoor trekken in de tijd, en elke stap die we doen onze identiteit vormt, een ‘trajectory of the self’ (214) Of we met zijn levenskunstethiek ook goed oud kunnen worden? Daarover straks tot slot nog een paar opmerkingen.
Het hoofdstuk over ‘leven volgens een ideaal’ intrigeerde mij het meest. Dat komt omdat ik evenals Dohmen iets heb (ook in de zin van: iets heb te verhapstukken) met zijn sparringpartner in dat hoofdstuk, John Kekes. Levenskunst is volgens Kekes leven volgens een ideaal en je levensprojecten daarop afstemmen. Idealen zijn overkoepelend, projecten zijn concretiseringen daarvan. Je kunt dat ideaal weliswaar nooit bereiken, maar wel belichamen. De handelingen waarmee het ideaal wordt nagestreefd, zijn nooit louter middel om dat ideaal te bereiken. Ze zijn een vorm van praxis (in onderscheid van poeisis, waarmee de activiteiten worden aangeduid om projecten te realiseren, en die zijn wel instrumenteel). Zulke handelingen drukken het ideaal als het ware uit. Bij praxis ligt immers het doel, het wezen, in de handeling zelf, het handelen zelf verschaft voldoening.
Het nastreven van een ideaal wordt daarmee constituerend voor een manier van leven. Persoonlijke excellentie gaat bij Kekes bovenal om het belichamen van individuele idealen.
De combinatie van idealen en projecten levert beste, eervolle, eerloze en slechte levens op.
1. De beste mogelijkheid is dat je leeft volgens je idealen en je projecten ook slagen:
2. de eervolle mogelijkheid is dat je er in slaagt te leven volgens je ideaal, ook al faal je in je projecten
3. de eerloze mogelijkheid is dat je slaagt in je projecten, maar faalt in het ideaal
4. de slechtste mogelijkheid is dat het je niet lukt om te leven volgens je idealen en dat ook je projecten mislukken.
De keuze van je idealen en de stijl van leven die daarbij hoort is belangrijker dan de keuze van je handelingen. Om de idealen te kunnen naleven moet je jezelf transformeren in de juiste persoon, door het vormen van een bepaalde levenshouding (karakter). Dat proces van zelftransformatie conform het gestelde ideaal noemt Kekes zelfsturing. Je ontwikkelt een houding, een ‘dominante attitude’.
Dohmen heeft een soort haat-liefdeverhouding met Kekes, al is ook duidelijk dat hij zich behoorlijk door hem laat inspireren. Met behulp van het jammerlijke verhaal over Mr. Stevens, de tragische butler uit Kazuo Ishiguro’s The Remains of the Day¸die heel zijn leven liet beheersen door één ideaal (waardigheid) en één project (butlerschap) concludeert Dohmen: ‘Het is levensgevaarlijk om het leven in te richten naar één ideaal.’ (251) Niet alleen verongeluk je er zelf mee als het tegenzit, ook ben je gemakkelijk geneigd anderen ervoor op te offeren. Met de nuchtere scepsis van de pluralist Isaiah Berlin betoogt Dohmen dat het beter is te streven naar een rangorde van – wellicht ook conflicterende – waarden, dan een ideaal aan te hangen. (260). ‘De mens uit één stuk is een onverdraaglijk wezen’. (261) Ik vind dat Dohmen hiermee te snel zich van het ideaal afmaakt. Hij suggereert dat idealen er alleen in gesloten vorm zijn, als politieke utopie. Maar er zijn toch ook open idealen, waarvan we weten dat ze nooit helemaal gerealiseerd kunnen, terwijl we er toch voor gáán? Ook ‘waarden’ worden idealen, zodra ze in een voorstelling worden gegoten en de situatie hier en nu transcenderen. Deze levenskunstethiek heeft een evenwichtig en realistisch idealisme (Wibren van der Burg) nodig, om niet in pragmatisch scepticisme te blijven steken.
Een mooi hoofdstuk over vriendschap besluit het boek. We komen er veel tegen dat we ook elders kunnen lezen. De laatste bladzijden troffen me als het meest ‘authentiek’, als écht Dohmen. Vrienden kunnen, zegt hij, drie dingen voor elkaar doen. Allereerst: elkaar beschermen tegen de onzekerheid van de menselijke conditie. Zo houden ze voor elkaar de hoop levend, het nihilisme buiten de deur. Vervolgens: aansturen tot zelfvervulling (vriendschap is ‘de enige plek waar een intense bemoeizucht is toegestaan’, 284). Tenslotte: elkaar gelukkig maken. Als er geluk te bleven valt, dan kan dat alleen gedeeld geluk zijn.
Hoezo, levenskunstethiek een navelstaarderig individualisme?
Kun je met ‘Dohmen’ goed oud worden? Het loont de moeite het boek eens vanuit die vraag te lezen. Dan ontkom ik niet aan een paar kanttekeningen in de marge.
1. Dohmen’s levenskunstenaar heeft veel heden en toekomst, maar weinig verleden. Toch: men is ook wat men is geweest. Wat te doen met de herinnering, het verleden dat waaraan men onlosmakelijk toebehoort, dat men ‘heeft’, maar dat tegelijk ons steeds weer (en ook: steeds meer?) ontglipt? Omvat levenskunst ook niet het goed kunnen omgaan met het verleden?
2. Levenskunst is leren omgaan met lijden en tragiek, weet Dohmen. Toch valt op – ik sluit aan op het eerste punt – dat wat Viktor Frankl ooit de ‘tragische triade’ van lijden, schuld en dood noemde, het lijden wel het volle pond krijgt, maar schuld in het geheel niet ter sprake komt, en de dood slechts in de marge (zie straks punt 3). Behoort tot het leven in de tijd niet ook dat men steeds meer schuld opdoet en steeds meer – misschien tegelijkertijd – slachtoffer wordt van de schuld van anderen? Is ouder worden ook niet een zaak van recht doen, recht recht zetten, recht zoeken, van verzoenen en vergeven. Geen woord daarover bij Dohmen.
3. Postmoderne levenskunsethiek houdt bewust de Grote Levensvragen buiten de deur. Dohmen moet niets hebben van een ontologisch vloertje onder zijn ethiek. Pluralistisch en pragmatisch – zo moeten we vandaag te werk; exit de grootse theologische en antropologische ontwerpen, waarbij de mens eerst werd ingebed in een kosmische of religieuze orde en vervolgens pas, als een afgeleide daarvan, de vraag aan de orde kwam hoe te leven. Maar laat de metafysische vraag zich – ook in de ethiek – wel zo gemakkelijk afstoppen, als Dohmen hier doet? Waarom zijn we er überhaupt, en niet veeleer niet? Waarom zijn we er maar zo even en zijn we er ook maar weer zomaar gewéést? De dood krijgt anderhalve bladzijde in het boek (215v.), en de verwijzing naar de rijke traditie van de ars moriendi is niet meer dan dat. Inderdaad, Dohmen heeft gelijk als hij daar zegt: ‘De dood ontneemt de vanzelfsprekendheid aan ons leven.’ Daar heb je geen metafysica voor nodig. Maar dan zijn conclusie: ‘dankzij onze sterfelijkheid is een zinvol en geslaagd leven pas mogelijk’ – die filosofische claim hangt toch zonder een of andere vorm van – hoe minimaal ook – levensbeschouwelijkheid volledig in de lucht? Hoe de wanhoop buiten de deur te houden dat het leven (en dus ook het mijne) volstrekt zinloos is? Ook al leven we lang, het blijft een ademtocht. En dan: wat is de zin van een – ze zijn er bij bosjes – mislukt leven? Zonder een vleugje metafysica krijgt men de zinvraag niet rond.