De betekenis van levensverhalen. Redactie: Ernst Bohlmeijer, Lausanne Mies en Gerben Westerhof. Uitgave Bohn Stafleu & van Loghum, 2006, 464 pagina’s. ISBN: 9789031348749, Prijs: € 39,50.
‘Oma vertel’s’ heette het boek dat mijn kinderen aan oma cadeau deden op Kerst en dat ons totaal andere feestdagen bezorgde dan verwacht. De succesformule van auteur Elma van Vliet (ze publiceerde eerder bij uitgeverij Het Spectrum Mam vertel ‘s, en naast Pap vertel’s is er inmiddels ook een Opa vertel’s) werkte ook in onze familie. De uitnodiging in het boek aan Oma om het met haar levensverhaal te vullen, deed mijn schoonmoeder honderduit vertellen over haar levensloop, en veranderden mijn kinderen twee dagen lang van obligate kerstconsumenten in geïnteresseerde luisteraars en interviewers.
Levensverhalen zijn ‘in’ in gezondheidszorg en welzijnswerk, maar ook daarbuiten, omdat ze blijkbaar iets goeds met mensen doen, Men gebruikt ze – zoals wij het in gezinsverband deden – om de eigen familiegeschiedenis voor de vergetelheid te bewaren, maar ook als methode voor sociaal-wetenschappelijk en historisch onderzoek. Daarnaast worden ze breed ingezet in een therapeutische context, o.m. in de ouderenzorg (life review), de psychotherapie, de geestelijke gezondheidszorg, of in de zorg aan mensen met een verstandelijke beperking. Ook in het professionele en individuele coachingscircuit (‘narratieve coaching’) is het werken met levensverhalen in tel.
Op de ‘narrative turn’ in de menswetenschappen lijkt nu een paradigmatische wending naar de autobiografie te volgen in zorg- en welzijnsland. Men lijkt soms wonderen te verwachten van het laten vertellen van het eigen levensverhaal. De claim is niet langer alleen: ‘vertel mij uw levensverhaal en ik zal zeggen wie u bent’, maar ook: ‘vertel het en het zal een ander (beter, gezonder, evenwichtiger etc..) mens van u maken’.
Terecht? Om zin en onzin van die aanspraken te toetsen, maar ook om aan onderzoekers, managers en zorgverleners inzicht te geven in de verschillende mogelijkheden die levensverhalen bieden, is er nu De betekenis van levensverhalen. Theoretische beschouwingen en toepassingen in onderzoek en praktijk. Een dik, prachtig verzorgd uitgegeven boek, waaraan zo’n beetje iedereen die in Nederland ‘iets doet’ met levensverhalen een bijdrage heeft geleverd en waarmee de redacteuren hopen dat het bij zal dragen aan de implementatie van levensverhaalmethoden in de gezondheidszorg en het welzijnswerk. Het wil niet alleen een ‘state of the art’ bieden op het gebied van het werken met levensverhalen, maar ook daartoe inspireren. In die opzet is het zeker geslaagd. Het is een rijk boek geworden, met een overweldigende veelheid aan perspectieven. Wie het uit heeft, weet weliswaar nog steeds niet precies of en hoe het effect van levensverhalen aantoonbaar is (daarover straks tot slot nog iets), maar kan niet anders dan geloven in de kracht ervan.
Het boek is ingedeeld in drieën. Deel I omvat theoretische beschouwingen, deel II toepassingen in sociaal-wetenschappelijk onderzoek en III toepassingen in de praktijk van zorg en welzijn. Een geheel van in totaal een kleine dertig (!) bijdragen van een bonte stoet aan auteurs, afgewisseld met korte prikkelende intermezzo’s, moet door die indeling een zekere heldere structuur krijgen. Dat lijkt ondoenlijk en dat is het ook, gezien de vele toepassingsvelden van het werken met levensverhalen. De ‘praktijk’ is dus alomtegenwoordig, ook in het theoretische deel. Verspreid door het boek zijn er – ik doe een greep – artikelen over het gebruik van levensverhalen in de omgang met daklozen; met Zuid-Afrikaanse en Marokkaanse ouderen; met mensen met kanker, chronische rugpijn of depressie. Maar ook het levensverhaal van kinderen uit de jeugdzorg en mensen met een verstandelijke beperking komt aan bod. Omgekeerd is de theoretische doordenking van het werken met levensverhalen evenmin tot deel I beperkt. Hoe praktisch ingesteld ook, de meeste auteurs reflecteren ook op hun methode. Dat maakt de indeling soms willekeurig. Sommige bijdragen (zoals die van Hermans en Westerhof over narratieve psychotherapie en van Meininger over levensverhalen voor mensen met een verstandelijke beperking aan het eind van deel III) zijn zo helder en met methodologisch bewustzijn geschreven, dat het jammer is dat men ze niet al eerder in deel I tegenkomt. De hermeneutiek van Dilthey en Gadamer, met inmiddels klassieke visies op het verstaan van wat er bij vertellen gebeurt, komt pas in deel II aan bod, en had ik ook eerder verwacht. En waarom moest, omgekeerd, een praktijkgeörienteerd artikel over mensen met kanker (Bouwer) weer in deel I worden opgenomen? Ik kon de ratio achter de plaatsing van sommige artikelen niet goed ontdekken.
De theorie van het levensverhaal komt er in het boek so wie so wel wat bekaaid af. Was niet een meer systematische oriëntatie op de narratieve paradigmawisseling in de filosofie en de literatuurwetenschap, als achtergrond voor het werken met levensverhalen, op zijn plaats geweest? En had dan minstens niet ook Paul Ricoeur een artikel verdiend? Ik had het graag willen checken in het naamregister die een naslagwerk van dit kaliber verdient, maar volgens mij wordt zijn naam in het hele boek niet één keer genoemd. En William L. Randall mag dan gelden als de internationale innovator op het gebied van levensverhalen, zijn bijdrage – de enige in het boek niet van Nederlandse bodem levert een mooi persoonlijk relaas op over zijn cursus narratieve gerontologie, maar biedt maar weinig vlees en bloed als het gaat om theorievorming. Zou in dat verband iemand als Dan McAdams (The stories we live by) niet een steviger systematischer vloertje hebben kunnen leggen?
Misschien is de gekozen indeling in theorie (wat is een levensverhaal?), onderzoek (wat kun je er mee te weten komen?) en praktijk (waarvoor kun je het gebruiken?) ook een beetje kunstmatig. De auteurs hebben zich er hoe dan ook zelf weinig aan gelegen laten liggen. Ze doen stuk voor stuk hun eigen verhaal, en de redacteuren lijken niet al te streng tegen hen te zijn geweest. Precies formulerende wetenschappers, maar ook vrij associërende geesten als Prinsenberg mogen – soms heel lang – aan het woord komen. Dat maakt niet alleen kwaliteitsverschil, maar ook een zekere redundantie in het boek onvermijdelijk.
Zelf had ik als lezer gaandeweg meer behoefte aan een wat steviger redactionele handreiking. Mij had een scherpere onderscheiding tussen het effect van levensverhalen (wat bereiken ze?) en het doel ervan (wat willen we ermee?) misschien kunnen helpen om de rode draad in dit boek (de betekenis van levensverhalen) beter te kunnen vasthouden. Zo blijkt de historicus of antropoloog in hun gebruik van levensverhalen uit op kennisverwerving, maar streeft de zorgverlener naar een remediërende werking. Ze hebben verschillende doelen. Maar ze kunnen uiteindelijk hetzelfde effect te weeg brengen: een leven dat (weer) zin krijgt.
De redacteuren stellen in hun slotbeschouwing voor het levensverhaal als een handeling te beschouwen, waarmee mensen zowel samenhang in hun herinneringen en levensgebeurtenissen aanbrengen (een coherent verhaal met een helder plot), als ook een sociale verbintenis scheppen. Daarom vertellen mensen hun verhaal, dat is het doel dat ze er zelf mee bereiken willen.
Maar wat is nu het feitelijke effect van het methodisch werken met levensverhalen? Dat willen zorgmanagers graag weten, voor ze er geld en tijd voor opzij zetten. Reliëf is met het oog daarop betrokken bij een onderzoek naar de effecten van het werken met levensboeken in de ouderenzorg, en ontwikkelde speciaal met het oog daarop de levensboekmethode Open Kaart (zie daarvoor ook de bijdrage van Wout Huizing en Thijs Tromp aan het boek). Worden mensen er ook werkelijk beter van als ze hun verhaal mogen doen? We krijgen in dit boek geen precies antwoord, ondanks het feit dat alle auteurs geloven in de kracht van het levensverhaal en een pleidooi voeren voor het opnemen van levensboekmethoden in de integrale zorg. Voorzichtig wordt geconcludeerd dat een levensverhaalmethode misschien wel een therapeutisch effect heeft (het psychisch welbevinden neemt toe), maar dat daarin niet het primaire doel ligt. Die ligt in het feit dat verhalen zin stichten.
Is die reële bescheidenheid een tijdelijke zwakte die door nog meer onderzoek kan worden ondervangen? Het lijkt er eerder op dat hier twee verschillende vertogen van zorg en welzijn met elkaar botsen, die nooit met één mond zullen spreken, alle effectonderzoek ten spijt. Daarbij staat een visie op zorg waarvan zingeving een intrinsiek onderdeel vormt, tegenover een visie die er geen woorden voor heeft.